Copyright Martine Zoeteman 1997-2010
Home
home
KONFLIKTEN TUSSEN HET STADSBESTUUR EN DE KERKERAAD VAN DE HERVORMDE GEMEENTE DORDRECHT BIJ PREDIKANTSBENOEMINGEN TUSSEN 1672 EN 1770
Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht
Konflikten tussen het stadsbestuur en de kerkeraad van de gereformeerde kerk van Dordrecht bij predikants- benoemingen tussen 1672 en 1770
Martine Zoeteman
Rijn - en Schiekade 101
2311 AR Leiden
Collegekrt. 8848939
Doctoraal Werkcollege scriptie
Vaderlandse geschiedenis
September 1992
Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht Dordrecht
Inhoud
1. Inleiding...........................................2
2. De politiek in Dordrecht
2.1 De regeringsstruktuur...........................3
2.2 Familierelaties en fakties......................4
3. De kerk in Dordrecht
3.1 Algemeen overzicht..............................7
3.2 Opleiding en richting van predikanten...........8
3.3 Het beroepen van predikanten....................9
De problematische beroepen
4. Het beroep op Elias Surendonck in 1679
4.1 Verloop........................................12
4.2 Achtergronden en mogelijke verklaringen........14
5. Het beroep op Salomon van Til in 1683
5.1 Verloop........................................16
5.2 Achtergronden en mogelijke verklaringen........17
6. Het beroep op Jacobus Sappius in 1691
6.1 Verloop........................................18
6.2 Achtergronden en mogelijke verklaringen........19
7. Het beroep op Martinus Bosschaert in 1697
7.1 Verloop........................................20
7.2 Achtergronden en mogelijke verklaringen........21
8. Konflikten in de tijd..............................23
9. Conclusie..........................................24
10.Notenlijst.........................................26
11.Literatuurlijst....................................29
12.Lijst van archivalia...............................31
Bijlagen
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
1. Inleiding
De scheiding tussen kerk en staat kwam pas tot stand aan het einde van de achttiende eeuw. Daarvóór had het bestuur van een stad grote invloed op het reilen en zeilen van de plaatselijke kerk. Voor dit doctoraal werkcollege is onderzoek gedaan naar de verhouding tussen kerk en staat in een aantal stemhebbende steden in Holland, te weten Brielle, Delft, Dordrecht, Gorinchem, Gouda, Leiden, Rotterdam, Schiedam en Schoonhoven. In dit werkstuk staat de stad Dordrecht centraal.
De verhouding tussen het stadsbestuur en de kerkeraad wordt onderzocht aan de hand van predikantsberoepen die problematisch verliepen. In dit werkstuk wordt geprobeerd een antwoord te geven op de volgende vragen: Welke konflikten waren er tussen de regering en de kerkeraad van de gereformeerde kerk van Dordrecht bij predikantsbenoemingen tussen 1672 en 1770? Wat waren de oorzaken hiervan? (Het gaat dus alleen om problemen bij de beroeping, er waren wel "lastige" predikanten, zoals bijvoorbeeld ds. Bareuth, die in de clinch raakten met de overheid, maar die konflikten zijn buiten dit werkstuk gebleven.) Een beroep werd een konflikt als kerkeraad en regering het niet eens konden worden over de keuze van een nieuwe predikant. Dat is dus meestal het geval als een keuze werd afgewezen door de oudraad of als een beroep zich lang voortsleepte.
Er zijn verschillende mogelijke oorzaken voor de konflikten. Bijvoorbeeld persoonlijke redenen: eigen geloofsrichting, familie- en faktieverhoudingen; maar ook formele redenen: gevolgde procedure, richting, kwaliteit en persoon van de predikant en politieke redenen: evenwicht en voorkeur.
Als blijkt dat veel konflikten zich in een bepaalde tijd afspelen, dan wordt gepoogd hiervoor een verklaring te vinden.
Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de akta van de kerkeraad en de resoluties van de oudraad.
Achtereenvolgens zullen aan bod komen de regeringssituatie, de situatie op kerkelijk gebied en daarna de problematische beroepen in Dordrecht.
2. De politiek in Dordrecht
2.1 De regeringsstruktuur
Het stadsbestuur van Dordrecht bestond uit schout en schepenen, veertigraad, achten, burgemeesters en oudraad.
De schout, ook hoofdofficier genoemd, was de vertegenwoordiger van de hoge overheid, waarvan hij de rechten bij de stedelijke rechtspraak en wetgeving moest handhaven1. Hij werd gekozen voor een periode van drie jaar. De stad nomineerde drie personen, de stadhouder (of, bij het ontbreken hiervan, de Staten) koos hieruit de schout2.
De schepenbank was het hoogste rechterlijke orgaan van de stad en bezat als zodanig een uitgebreide rechtsmacht3. Schepenen dienden een periode van twee jaar. De veertigen (zie volgende alinea) stelden vier of vijf dubbeltallen op, waaruit de stadhouder een keuze deed. De schepenen kregen geen salaris. Na beëindigen van hun funktie werden zij lid van de oudraad. De schepenbank werd voorgezeten door een president, die ook wel burgemeester van 's Heeren wege werd genoemd. Dit presidentschap werd meestal waargenomen door de oudste schepen4.
In Dordrecht bestond ook een college, de goede mannen van veertigen of veertigraad genoemd, omdat er veertig mensen in dit college zaten. De schepenen werden meestal uit dit college gekozen. Voorzitter van het college van veertigen was van oudsher de president-burgemeester5. Maar in 1673 besloten de veertigen dat de eerste in funktie van hun college altijd zou presideren6.
De goede lieden van achten werden genomineerd door de gilden, de stadhouder maakte uit deze nominatie een keuze. De achten moesten meewerken bij de benoeming van de burgemeesters. Vroeger hadden zij ook inspraak bij de benoeming van thesoriers en heemraden, maar dit recht zijn zij in de loop van de tijd kwijtgeraakt7.
Aan een burgemeester werd de eis gesteld, dat hij een ingeboren burger van Dordrecht van minstens dertig jaar oud was. In 1674 werd het aantal burgemeesters uitgebreid van één naar vier, waarschijnlijk om machtsconcentratie rond één persoon te vermijden. Jaarlijks traden er twee burgemeesters af. De vier burgemeesters mochten niet nader aan elkaar verwant zijn dan de vierde graad van bloed- en aanverwantschap. De burgemeesters werden benoemd door de stadhouder, deze koos uit een nominatie van de oudraad en de achten. De burgemeesters namen om de drie maanden het presidentschap waar. Op 1 januari begon het presidium van de vierde burgemeester in rang. Op 1 april was de eerste burgemeester in rang aan de beurt, op 1 juli de tweede in rang en op 1 oktober de derde in rang. De burgemeesterskamer nam in 1675 de funkties over van de vroegere kamer ten beleide van stadszaken. Burgemeesters moesten besluiten van de oudraad uitvoeren, de stadssleutel bewaren en de vergaderingen van de Staten van Holland bijwonen8.
In de oudraad zaten alle dienende en afgetreden regeringsleden. Er waren restrikties qua verwantschap: er mocht een vader met één zoon inzitten, of hoogstens twee broers. Het aantal oudraadsleden liep langzaam maar zeker uit de hand, daarom werd beslist om het aantal leden te laten dalen naar veertig. In de oudraad werd volgens een bepaalde rangorde gestemd en niet volgens ouderdom van de leden. Lidmaatschap van de oudraad was een erefunktie. De oudraad nam de besluiten op regeringsgebied9.
2.2 Fakties en familierelaties
In 1660 waren er ongeveer vier fakties, die intern echter niet altijd evenveel samenhang vertoonden en tezamen ook niet alle regenten omvatten. De eerste stond onder leiding van Cornelis de Witt en bestond o.a. uit diens neef Johan de Witt, Diederik Hoeufft en Nicolaes Stoop. De tweede werd geleid door Willem Hallincq, hierbij hoorde onder meer Johan van den Honert. Het hoofd van de derde faktie was Abraham van Beveren, die steun kreeg van zijn broer Jacob. De laatste faktie werd geleid door Cornelis van Beveren, hij liet de zaken over aan zijn zoons Willem en Adriaan van Blijenburch10. Een jaar later liepen de goede verhoudingen tussen de regenten volledig vast. De rust keerde in 1662 terug door het afsluiten van contracten van correspondentie, waarin besloten werd hoe men de vrijkomende ambten onderling zou vergeven11. Na 1663 kregen de Witten meer invloed, maar dit ging ten koste van Van Beveren en Blijenburch.
In 1672 was er een geheel staatsgezind regentenpatriciaat, met drie fakties aan het roer: die rond Cornelis de Witt, de tweede van Hallincq en de derde met Jacob van Beveren aan het hoofd. toen kwam Willem III aan de macht. Bij de wetsverzetting werd Dordrecht niet gespaard, zoals in 161812. Alleen de faktie van de inmiddels overleden Willem van Beveren en Adriaan van Blijenburch, de faktie die naar de achtergrond was geschoven en nauwelijks meer macht en invloed had, kwam ongeschonden en zelfs versterkt uit de wetsverzetting. Adriaan van Blijenburch, Johan van der Burch, Matthijs Pompe van Slingelandt, Samuel Everwijn, Pompejus Berck Matthijsz., oom Cornelis en neef Gerard van Beveren; dus de kern van de faktie Van Beveren-Van Blijenburch, waartoe mogelijk ook de Pompes en de zwagers Everwijn en Berck gerekend mochten worden, probeerden de overwinning kompleet te maken. Zij sloten een correspondentie13. De fakties van Johan Hallincq en Jacob van Beveren werden van hun leiders en van een deel van hun aanhang beroofd. De naaste familieleden van de vermoorde broers De Witt werden ontslagen. Van de familie Stoop bleef iedereen, behalve Abraham gehandhaafd14.
Hierna waren er geen opzienbarende strubbelingen meer in Dordrecht. Arend Muys van Holy kreeg meer macht. Hij had de steun van de meerderheid van het regentenpatriciaat en hij stond in de gunst van de stadhouder.
Rond 1678 was de macht stevig in handen van de families Muys, Stoop, Brandwijk van Blokland en Van den Brouck. Slachtoffers van dit conclaaf werden de families Van Beveren en Pompe en de nauw verzwagerde heren Johan van der Burch, Pompejus Berck Matthijsz., Samuel Everwijn en Pompejus de Roovere15.
Door verwikkelingen in de landspolitiek in 1684 raakten de regerende Dordtse regenten uit de gunst van Willem III en dit leidde tot de val van Arent Muys van Holy. Zijn rol als vertrouweling van de prins werd spoedig overgenomen door de gebroeders Halewijn. De leiding kwam weer in handen van het conclaaf Van der Burch, Everwijn, Belaerts, Pompejus de Roovere en Pompejus Berck. De Stoopen behielden hun vooraanstaande positie. Nicolaas en Abraham zouden nog burgemeester worden. Ook Cornelis van Beveren zou het nog zover brengen. De rol van zijn familie was overigens uitgespeeld16.
De Halewijns zouden niet lang in de gunst van de stadhouder blijven. Simon Halewijn had op eigen gelegenheid onderhandelingen aangeknoopt met een Franse gezant over het sluiten van vrede. De landsregering had hier lucht van gekregen en arresteerde in 1693 Simon en zijn broer Cornelis Teresteyn van Halewijn, die mede verdacht werd17.
In 1702 overleed WillemIII. Het Tweede Stadhouderloze tijdperk betekende voor Dordrecht het startsein voor een nieuwe conventie tussen Hugo Repelaer en Dirk Hubert Stoop. Abraham Stoop, Herman van den Honert, Jacob van Mewen en Barthout van Slingelandt schaarden zich achter president- burgemeester Hugo Repelaer. Johan van Neurenburg, Jacob Hoeufft, Pompejus de Roovere, Anthony Repelaer, Cornelis de Roovere en Roelof Eelbo behoorden tot de kring van Dirk Hubert Stoop18. Het is opvallend dat er families verdeeld zijn over beide partijen. Zij verdeelden om en om de vrijkomende ambten. Later volgde er nog vele andere conventies19.
3.De kerk in Dordrecht
3.1 Algemeen overzicht
De stad Dordrecht behoorde bij de classis van Zuid-Holland, ook wel de classis van Dordrecht genaamd. Deze classis bestond uit vijf ringen: Dordrecht, Overwater, Striense Waard, Alblasserwaard en Zwijndrechtse Waard20. Als er problemen waren, dan werd de classis om raad gevraagd.
De Nederduits Hervormde gemeente van Dordrecht had de beschikking over drie kerken: de Grote- of Onze-lieve-vrouwekerk, de Augustijnenkerk en de Nieuwe kerk.
In 1619 werd in Dordrecht een nationale synode gehouden. Door deze synode en de besluiten die er werden gehouden is Dordrecht spreekwoordelijk geworden voor de gereformeerde rechtzinnigheid21. Dordrecht was vrij behoudend op kerkelijk gebied.
Aan het einde van de zestiende eeuw werd de stad versterkt met een vijfde predikant en een gasthuisprediker22. In de loop van de zeventiende eeuw werd het aantal predikanten vermeerderd tot acht. De predikanten wilden echter graag een negende collega, maar de oudraad hield de boot af23.
Enno van Gelder dacht dat de kerkeraad vaak bestond uit handwerkslieden en kleine winkeliers. Roorda zette hier al voorzichtig vraagtekens bij. Tegenwoordig meent men dat de kerkeraad (ook wel concistorie genoemd) grotendeels gevuld was met regenten24. De regentenstand bestond uit een libertijnse- en een concistoriale partij. Waren de concistorialen aan het bewind, dan was de verhouding tussen kerkeraad en stadhuis uiteraard het best. In beide instituten zaten in zo'n geval dezelfde regenten25.
De overheid had overigens ook invloed op de predikanten doordat de kerk voor de uitbetaling van de traktementen van haar afhankelijk was26.
3.2 Opleiding en richting van de predikanten
Wie predikant wilde worden had twee mogelijkheden. Er kon een theologische opleiding worden gevolgd aan een universiteit of een illustre school. Het verschil tussen deze twee instellingen was dat de universiteiten het jus promovendi hadden, terwijl de illustre scholen dit recht misten27. In de Noorderlijke Nederlanden waren er vijf universiteiten: Leiden, in 1575 gesticht, was de oudste, daarop volgde in 1585 Franeker, in 1614 Groningen, in 1636 Utrecht, waarna in 1648 Harderwijk de rij sloot28. Het onderwijs aan de illustre scholen (te vinden in o.a. Nijmegen, Deventer, Amsterdam, Utrecht, Dordrecht, 's-Hertogenbosch, Breda, Middelburg en Zutphen) was heel behoorlijk en hier en daar, bijvoorbeeld in Deventer, was het niveau niet veel lager dan aan de universiteiten29. Doorgaans ging men na de illustre school naar de universiteit.
Academische titels waren voor het predikantschap niet vereist; het kerkelijk examen, afgenomen door de classis was dat wel. Dit examen bestond uit twee delen: het peremptoir- en het praeparatoir examen. Het eerste examen leidde tot het beroepbaar stellen en het tweede volgde op een uitgebracht beroep30.
Er ontstonden tegenstellingen in de kerk. De dogmatische, "strengere" Utrechtse theoloog Voetius kwam tegenover de meer bijbelsgerichte "rekkelijke" groep onder leiding van de Leidenaar Coccejus te staan. Coccejus wilde terug naar de bijbel, om die nauwkeurig te onderzoeken naar de oorspronkelijke bedoelingen. De verbondsleer kreeg veel nadruk. Voetius redeneerde meer van hel en verdoemenis, terwijl Coccejus zich richtte op de genade en de liefde van God voor de mensen. De twisten bereikten hun hoogtepunt in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw tijdens de strijd over de zondagsrust31.
Bekend is dat de volgelingen van Coccejus een grotere mate van verdraagzaamheid aan de dag legden dan de strenge Voetianen. De Coccejanen kwamen ook veel minder in konflikt met de werkelijkheid van een allesbehalve "heilig" levende bevolking32. Het is dus te begrijpen, dat de stadsregering over het algemeen de voorkeur gaf aan een "rustiger" Coccejaanse predikant.
Helaas bestaat er geen lijst van alle predikanten met de vermelding of zij Voetiaans of Coccejaans waren. Maar er kunnen wel voorzichtige conclusies worden getrokken over de richting, als bekend is waar en onder welke hoogleraren een predikant heeft gestudeerd.
3.3 Het beroepen van predikanten
Als er een predikant was overleden of beroepen in een andere plaats dan was er een vacature. In geval van overlijden kreeg de weduwe van die predikant een "vrijjaar". Tijdens dit jaar bleef de vacature open en kreeg de weduwe het traktement van haar man, de andere dominees preekten in zijn plaats33.
Het beroepen van een predikant begon met het vragen om handopening, dat is de toestemming van de burgemeesters om te beginnen met de beroepingsprocedure. De grote kerkeraad, bestaande uit de predikanten, (oud-)ouderlingen en diakenen, zond gedeputeerden hiervoor naar de president-burgemeester. De presiderend burgemeester overlegde met zijn collega's en verleende dan handopening34. Later, omstreeks 1740 gaf de president-burgemeester aan dat met de beroeping kon worden begonnen. Vanaf 1764 gaf de president-burgemeester al bij het verlenen van handopening aan welke predikant de voorkeur had. Deze predikant werd braaf genomineerd in het drietal van de kerkeraad en uiteindelijk met eenparigheid van stemmen gekozen.
Als de handopening was verkregen dan stelde de grote kerkeraad, na de zes laatst afgetreden ouderlingen er bijgeroepen te hebben, een grote nominatie op. Deze nominatie, ook wel groslijst genoemd, bevatte aanvankelijk ruim honderd predikanten, maar in de achttiende eeuw verminderde dit sterk. Uit de groslijst nomineerde men twintig personen. Daarna werd achtereenvolgens verminderd tot twaalf en zes. Van 1688 tot en met 1697 zijn er afwijkende aantallen genomineerden, maar vanaf 1700 is er weer een vast patroon te ontdekken. De nominatie gaat dan van vierentwintig naar twaalf naar zes en naar drie.
De president-burgemeester werd op de hoogte gesteld welke (zes of) drie predikanten op de nominatie stonden. De regering mocht deze nominatie verdubbelen met predikanten van haar keuze. Deze aanvulling moest kerkelijk worden gemaakt. Na 1700 werden er door de oudraad of hun gemachtigden geen aanvullingen meer gedaan.
De president-burgemeester kreeg tegelijk met de nominatie het verzoek het collegium mixtum bijeen te roepen. Het collegium mixtum of gemengde vergadering bestond uit vier leden van de kerkeraad en vier leden van de regering. De kerkeraad zond twee predikanten en twee ouderlingen. De oudraad vaardigde meestal de vier burgemeesters af naar het collegium mixtum, dat op het stadhuis vergaderde in de weeskamer35. Het collegium mixtum werd met gebed geopend en daarna geschiedde de beroeping bij meerderheid van stemmen. De president-burgemeester stemde eerst, daarna de predikant die praeses was, enzovoorts, afwisselend een lid van de regering en kerkeraad. Soms werd er in het collegium besloten om eerst een paar predikanten te gaan horen en daarna werd gestemd.
De keus werd daarna in de oudraad gebracht om goed- of afgekeurd (geapprobeerd of geimprobeerd) te worden. De beroepbrief werd opgesteld en namens de classis ondertekend door twee predikanten van een naburige gemeente. Aanvankelijk werd de brief gebracht door een deputatie van het collegium mixtum. Later werd de brief met een expresse bode naar de predikant in kwestie gebracht. Hiertoe werd in 1695 door de oudraad besloten, om zo de kosten van het beroep te drukken36. In Dordrecht begon dan het gespannen wachten op antwoord.
De duur van de beroepingsprocedure varieerde van twee jaar tot een week37. Door het afslaan van het beroep door een predikant en door improbatie door de oudraad kon het lang gaan duren. Aan het einde van de onderzochte periode verliep de beroepingsprocedure zeer snel. Hierbij speelde zeker mee dat bij de handopening al vermeld werd welke predikant de voorkeur van de regering had.
Het bericht van de predikant dat hij het beroep aannam werd met vreugde ontvangen. Er werd gecorrespondeerd over de datum van bevestiging. De nieuwe predikant werd bij aankomst verwelkomd door een deputatie van de kerkeraad, die ook de brieven van ontslag van de classis en de kerkeraad van de vorige standplaats kontroleerde. Na de bevestiging werd de predikant in de kerkeraadsvergadering welkom geheten.
De problematische beroepen
4. Elias Surendonck 1679
4.1 Verloop van het beroep
Uit de kerkeraadsnotulen van 11 maart 1677 bleek dat de Dordtse predikanten het zwaar hadden. Zij moesten vaak preken en ze moesten ook nog een jaar gratis preken voor de weduwe van ds. Ravesteijn. De kerkeraad ging naar president-burgemeester Arent Muys van Holy. Deze bracht het probleem ter sprake in de oudraad en vroeg of de vacante plaats gevuld mocht worden, ook als was het vrijjaar van de weduwe van Ravesteijn nog niet voorbij. De oudraad gaf toestemming voor een nieuw beroep.
De kerkeraad was hier blij om38. Gedeputeerden van de kerkeraad gingen naar de burgemeesters om te bedanken, maar ook om te vragen hoe het zat met het traktement van de nieuwe predikant39. Het beroep mocht alleen op het gewone statentraktement. Als een collegapredikant een beroep elders aannam of overleed, dan kreeg de nieuwe predikant het volle traktement. De kerkeraad ging met deze regeling accoord en begon met de beroepingsprocedure39.
Er werd een grote nominatie gemaakt en men ging achtereenvolgens van twintig genomineerden naar twaalf en dan naar zes. Gedeputeerden van de kerkeraad gingen naar de burgemeester om ze in te lichten hoe het stond met het beroep40.
Zowel de regering als de kerkeraad kozen vertegenwoordigers voor het collegium mixtum. De kerkeraad stuurde ds. praeses Lydius, ds. Rolandus en de ouderlingen Baen, Eelbo en Boedonck41. (Boedonck werd wel afgevaardigd, maar staat niet vermeld als aanwezige bij de vergadering van het collegium mixtum.42) Zij moesten de zes genomineerden voordragen en proberen dat alle zes gehoord worden, hetzij in hun standplaats, hetzij in Dordt.
De regering liet zich vertegenwoordigen door de burgemeesters Arend Muys van Holy, Adriaen van Blijenburch, Samuel Everwijn en Pompejus Berck43.
Het collegium mixtum kwam op 28 juni 1677 bijeen in de weeskamer. Ds. Lydius, de oudste predikant opende de vergadering met gebed. Het was de gewoonte dat de namen van het lijstje van de kerkeraad het eerst werden voorgelezen. Dit keer sloeg president-burgemeester Van Naeltwijck hier geen acht op en begon het collegium mixtum met de zes personen, die werden bijgevoegd door de regering. De kerkeraad was verbolgen over deze gang van zaken44.
De personen die werden bijgevoegd waren: ds. Bennebroeck van Itersem en Schaerdam (bij Hoorn), ds. Schagen van Schiedam, ds. Koninck van Alblas, ds. Du Bois van Gorinchem, ds. Keppel van Amerongen en ds. Laeckemans van Ilpendam. Hierna mocht ds. Lydius namens de kerkeraad het woord voeren. De genomineerden door de kerkeraad waren ds. Baersenborch van Geertruidenberg, ds. Doreslaer van Alblasserdam en ds. Groenewegen van Streefkerk uit de classis en ds. Hollebeeck van Alphen, ds. Rulitius van Oudewater en ds. Lydius van Zoeterwoude van buiten de classis.
De burgemeesters kozen voor de genomineerden van president-burgemeester Van Naeltwijck, de afgevaardigden van de kerkeraad waren voor die van Lydius45. De burgemeesters stelden voor eerst één van de lijst van de kerkeraad te horen en dan één van de politieke lijst. De gedeputeerden van de kerkeraad vroegen bedenktijd46.Hierna ging het collegium mixtum uiteen.
Pas twee maanden later, in augustus 1677 was er weer collegium mixtum47. De gedeputeerden van de kerkeraad kregen de instruktie mee om allereerst te zorgen, dat hun genomineerden werden gehoord. Na enig overleg werd besloten om naar Oudewater en Schiedam te gaan, om respektievelijk ds. Rulitius van de lijst van de kerk en ds. Schagen van de politieke lijst te horen48. Gecommitteerden om te horen waren Nicolaes Stoop, Jacob van Mewen, secretaris Herman Hallincq en ds. Lydius. Nergens is een verslag te vinden van het horen van deze predikanten.
Lange tijd bleef het nu stil, zowel de kerkeraadsnotulen als de oudraadsresoluties zwegen over het beroep. Pas op 29 mei 1678, dus ongeveer acht maanden later, kwam de oudraad op het onderwerp terug. Nicolaes Stoop bracht ter vergadering dat het wegens ouderdom en zwakheid van enige predikanten hoognodig was de vacature van ds. Ravesteijn te vullen.
De oudraadsresoluties van eind mei vermeldden dat het moeilijk was een predikant te vinden op het traktement van 500 gulden per jaar. Het traktement werd verhoogd naar 1200 gulden49.
De kerkeraad hield pas op 3 november 1678 weer een grote vergadering over de zaak van beroeping. De gedeputeerden van de kerkeraad deden een paar keer een poging om het collegium mixtum bijeen te roepen. De burgemeesters hielden vrij lang de boot af, omdat zij eerst geadviseerd wilden worden over geschikte predikanten50.
Vijf maanden later werd het collegium mixtum veranderd. Pompejus Berck en Samuel Everwijn, die samen met Adriaen van Blijenburg heer van Naeltwijck en Arent Muys van Holy in het collegium zaten, wilden zich van de besoignes onthouden en er uit gaan. In hun plaats kwamen Johan van Neurenburgh en Willem Brandwijk van Blokland51. Op dezelfde dag werd de kerkeraad gemeld, dat er een predikant mocht worden beroepen op een hoger traktement52.
De kerkeraad meende nu de gedachten wat ruimer te kunnen laten gaan en voegde bij de oude nominatie nog zes predikanten, waaronder Elias Surendonck. De lijst met de twaalf genomineerde predikanten ging naar de burgemeesters. De kerkeraad moest komen met een naam en koos voor Surendonck53. Het beroep werd uitgebracht en Surendonck nam het aan.
4.2 Mogelijke oorzaken en verklaringen
Aanvankelijk leek het of het beroep moeizaam verliep door financiële problemen. Nadat de handopening was verkregen informeerde de kerkeraad meteen naar de hoogte van het traktement. De gewone beroepingsprocedure volgde en besloten werd om twee predikanten te gaan horen preken. Maar dan zwijgen zowel de oudraadresoluties en kerkeraadsnotulen. Dat is vreemd, want meestal werd hierin verslag gedaan van het horen. Men schreef op waarover gepreekt werd, hoe de stem van de predikant was enz54. Uit de kerkeraadsnotulen bleek dat er wel verslag is gedaan in het collegium mixtum, maar hiervan is niets bewaard gebleven.
De desbetreffende dominees waren Rulitius en Schagen. Veel biografische gegevens waren er niet over hen te vinden. Ds. Rulitius begon als predikant in 1669 in Berkel en vertrok in 1675 naar Oudewater. In 1681 zou hij naar Haarlem gaan, waar hij uiteindelijk in 1696 zou overlijden55. Ds. Jacobus Schagen kwam oorspronkelijk uit Alkmaar. Hij studeerde in Utrecht in 1653 en in Leiden werd hij op 19-2-1657 ingeschreven als eenentwintigjarige bij theologie56. Hij begon als proponent in Sijbekarspel in 1658 en vertrok in 1667 naar Schiedam. In 1678 zou hij vertrekken naar Delft, waar hij op 8-6-1707 zou overlijden57.
Eind september had men ds. Rulitius en ds. Schagen gehoord. De oudraadresoluties van 29 mei in het jaar daarop meldden dat het moeilijk was een bekwaam predikant te vinden op het traktement van 500 gulden per jaar. Maar ds. Rulitius en ds. Schagen zijn niet eens beroepen. Zij hebben dus niet het beroep afgeslagen omdat het traktement te laag was. Misschien waren zij niet bewaam genoeg? Ik heb nog even gedacht dat men niet eens was wezen horen, maar de rekening van de "reis- en teercosten" is terug te vinden58.
Later ging ik denken dat de faktietegenstellingen ook hier meespeelden. In 1677 werd het collegium mixtum geformeerd. De afgevaardigden voor de regering waren de burgemeesters Muys, Van Blijenburch, Everwijn en Berck. Het beroep duurde lang en uiteindelijk waren alle vier burgemeester af, maar ze bleven in het collegium mixtum. Er kwam een andere faktie aan de macht, die dus niet vertegenwoordigd was in het collegium. Het beroep werd lange tijd opgehouden, omdat de burgemeesters het collegium mixtum niet bijeen wilden roepen (vanaf november 1678 tot 4 april 1679). Het werd niet duidelijk waarom zij dit deden. En om welke burgemeesters ging het hier? Om de regerende burgemeesters of om de vier in het collegium mixtum? Waarschijnlijk ging het om de huidige burgemeesters, anders was er wel gesproken over oud-burgemeesters.
Door de wijziging van de regeringsafgevaardigden in het collegium mixtum werden de verhoudingen weer rechtgetrokken. Al dan niet vrijwillig namen Pompejus Berck en Samuel Everwijn afscheid. Zij behoorden tot de faktie, die in deze tijd nauwelijks meer invloed had. Hun plaats werd ingenomen door Johan van Neurenburgh en Willem Brandwijk van Blokland uit de leidende faktie. De regeringsvertegenwoordigers in het collegium kwamen dus eerst uit twee fakties, dit heeft misschien problemen veroorzaakt. Na de wijziging zat er maar één faktie in het collegium.
Er is nog iets vreemds te ontdekken aan dit beroep. De oudraad besloot op 29-5-1678 om het predikantstraktement te verhogen van 500 naar 1200 gulden59. De kerkeraad kreeg dit pas een jaar later, op 4-4-1679 te horen, de dag van de wijziging van het collegium mixtum! Deze twee zaken hebben met elkaar te maken, maar het is onduidelijk wat. Is de salarisverhoging opzettelijk verzwegen, door degenen, die dit aan de kerkeraad moesten melden? Als dit zo was, waarom is dit dan gedaan?
5. Salomon van Til 1682
5.1 Verloop van het beroep
Ds. Oostrum was overleden, maar zijn vacature was na twee jaar nog niet vervuld. Een deputatie van de kerkeraad gaat op 14-5-1682 naar de burgemeesters om om handopening te vragen60. De burgemeesters wilden nog niet dat met het beroep werd begonnen. Pas in november kreeg de kerkeraad toestemming om te gaan beroepen61. De nominatie ging van gros naar twintig, naar twaalf en naar zes. De gedeputeerden van de kerkeraad lichtten president-burgemeester de Witt in over het verloop van de zaak. De Witt zal verslag doen bij de heren van de regering62.
Pas vijf maanden later werden de oudste twee predikanten bij de president-burgemeester ontboden. De regering voegde aan de nominatie van de kerkeraad, bestaande uit ds. Holbeek, ds. Bashuysen, ds. Groeneweghen, ds. Hamerus, ds. Leenhoff en ds. Schalcken, nog twee personen toe: ds. Du Bois uit Gorinchem en ds. Van Til uit Medemblik63.
Mr. Willem Brandwijk van Blokland vroeg in de oudraad of de vier burgemeesters met de kerkeraad het collegium mixtum mochten vormen, om te komen tot het beroep van een "habil, getrouw en godvrezend predikant". Het collegium mixtum kwam op donderdag 1 juli bijeen. Ds. van Til werd met eenparige stemmen gekozen en beroepen64.
5.2 Oorzaken en mogelijke verklaringen
Uit de kerkeraadsnotulen viel geen konflikt te halen. De burgemeesters voegden wel twee namen bij de genomineerden van de kerkeraad, maar dit hoeft niet te wijzen op een konflikt, want dit kwam wel vaker voor. Misschien dat de vermelding dat de gedeputeerden van de kerkeraad ruggespraak moesten houden als de burgemeesters bleven staan op ds. Van Til ergens op duidde. Ook uit de oudraadresoluties bleek niets van een konflikt.
Uit de literatuur bleek dat er wel een konflikt is geweest. G.D.J. Schotel, oud-gemeentearchivaris en auteur van het boek "Kerkelijk Dordrecht" schreef namelijk: "De regering, nog altijd, schoon in 't geheim, de partij der De Witten, aan welke vele harerleden door huwelijk verbonden waren, toegedaan, wenste een Coccejaan op de preekstoel te zien, en zond Willem van Blijenburch naar Medemblik, om Van Til, wiens roem tot in Dordrecht was doorgedrongen te horen. Zulks was echter niet tot genoegen van sommigen uit de kerkeraad en vooral de predikanten die liever een Voetiaan wilden en die in de omgeving van Amsterdam of Haarlem meenden te zullen vinden. Burgemeester Arent Muys van Holy maakte aan de tweespalt een einde en Van Til werd beroepen"65. Helaas vermeldde Schotel niet waar hij deze informatie vandaan haalde.
De hoofdoorzaak van dit konflikt was dus volgens de literatuur de richtingenstrijd. De kerkeraad wilde een Voetiaan en de regering een Coccejaan.
6. Sappius 1691
6.1 Verloop van het beroep
Er waren enige predikanten komen klagen bij de president-
burgemeester thuis, o.a. over de zware last die zij hadden door het overlijden van ds. Oldenburg. De oudraad gaf toestemming om een nieuwe predikant te beroepen66. Na enig overleg tussen de kerkeraad en de regering over de jaartoelage van de weduwe Oldenburg werd begonnen met het beroep67.
Het voorstel van de president-burgemeester, om gecommit-
teerden van de oudraad naar de kerkeraadsvergadering te sturen
om zo het beroep te bevorderen, werd aangenomen68. Toen er
dertig personen genomineerd werden, waren president-burgemeester Stoop en Pompejus de Roovere heer van Hardinxvelt als
commissarissen-politiek aanwezig69. Men ging naar acht en naar
drie genomineerden, nl. ds. Van der Meer, ds. Jacobi en ds. d'Outrein. Bij deze nominatie voegden de burgemeesters ds. Sappius70.
Op een bepaald moment liep het overleg in het collegium
mixtum vast. De regering was voor ds. Sappius, de kerkeraad bleef bij ds. Van der Meer. Om deze impasse te doorbreken deed de regering twee voorstellen. Het eerste voorstel was dat het
collegium mixtum aangevuld zou worden met enkele personen. Het tweede was dat er geloot zou worden tussen ds. Sappius en ds. Van der Meer. Bij weigering of vertraging/uitstel werden de twee predikanten voor gekozen gehouden en één van de twee werd dan geapprobeerd71.
De kerkeraad wilde een loting, maar stelde als voorwaarde dat de persoon die uitgeloot werd ook geapprobeerd werd72. De
oudraadsleden waren hier zeer kwaad over, want zij alleen hadden het recht van approbatie en improbatie. De kerkeraad kreeg acht dagen om de loting te accepteren, anders werd ds. Sappius voor gekozen gehouden. Ds. Sappius werd inderdaad geapprobeerd en ds. Van der Meer werd geimprobeerd. Nu was de kerkeraad op haar beurt kwaad. Dit beroep vonden zij niet wettig. Zij besloten daarom het beroep niet kerkelijk te maken
en geen kommissie te vormen tot uitwerking van het beroep. Een extrakt van deze resolutie, weliswaar in discrete termen, werd naar de oudraad gebracht73.
Een deel van de oudraad reageerde hier furieus op. Volgens hen wettigde de kerkeraad zich meer gezag aan dan zij bezat. De oudraad besloot dat de burgemeesters al hun macht mochten gebruiken, zij mochten traktementen inhouden en degenen, die geen respekt hadden voor de regering en haar beleid, verbieden te preken74. Niet alle oudraadsleden waren het hiermee eens. In een protestbrief aan de oudraad schreven zij dat de kerkeraad in haar recht werd bekort. De resolutie van de kerkeraad was alleen om te proberen haar recht te handhaven. Dit probleem kon niet worden opgelost door o.a. te dreigen met het inhouden van traktement. Het moest in der minne worden geschikt of anders door het Hof van Holland beoordeeld worden. De ondertekenaars van deze brief beloofden, dat zij de predikanten die door deze oudraadsresolutie getroffen werden, schadeloos zouden stellen75.
De zaak ging naar de Staten van Holland en West-Friesland. Zij besloten dat er binnen acht dagen geloot moest worden, anders werd de persoon van de burgemeesters genomen76. De kerkeraad vergaderde en wilde toegeven aan de burgemeesters om verwijdering en moeilijkheden te vermijden. Men onderwierp zich gehoorzaam aan de overheid en koos voor ds. Sappius, zonder het op een loting te laten uitlopen77.
6.2 Mogelijke oorzaken en verklaringen
Al vanaf het begin drukte de president-burgemeester een grote stempel op dit beroep. Hij stelde voor om met de andere burgemeesters in een zeer vroeg stadium (vóór de nominatie van dertig) naar de kerkeraad te gaan om het beroep te bevorderen. Hij was ook een van de commissarissen-politiek. Bij dit beroep werd voor de eerste en enige keer over commissarissen-politiek gesproken. Een commissaris-politiek is een afgevaardigde van de regering, die (meestal in uitzonderlijke gevallen) naar de kerkeraadsvergadering werd gestuurd. President-burgemeester was Nicolaas Stoop. Deze funktie bekleedde hij in het eerste kwartaal, maar ook in het tweede78. Dat is vreemd, want het presidentschap hoorde om de drie maanden te rouleren en Nicolaas Stoop was dus een half jaar president-burgemeester!
De burgemeesters voegden ds. Sappius bij de nominatie en gaven aan hem de voorkeur. De kerkeraad bleef bij ds. Nicolaas van der Meer. Deze predikant uit Wezel werd bekend door zijn nieuwe psalmberijming. Waarschijnlijk was hij een Coccejaan. Zou de kern van het konflikt weer in de richtingen
strijd liggen? Laten we ons nu richten op ds. Jacobus Sappius, de kandidaat van de regering. Deze predikant was gehuwd met Elizabeth de Veer, haar vader was een zwager van...Nicolaas Stoop, de presidentburgemeester die zich al van begins af aan met dit beroep had bemoeid!79
Het konflikt zou nogal hoog op gaan laaien, maar nergens heb ik een beschuldiging van familiebegunstiging gevonden. Toch neem ik aan dat deze familierelatie bekend was, zeker binnen het patriciaat80.
Op een gegeven moment liep het konflikt over de keuze
tussen twee predikanten min of meer uit in een debat over de
rechten van de kerkeraad en de oudraad. De oudraad raakte ver-
deeld. De ene partij, onder leiding van burgemeester Stoop wilde sankties (nemen) tegen de kerkeraad. De andere partij, met o.a. ouderling Willem de Witt was hiertegen en wilde de kwestie óf in der minne schikken óf voor het Hof van Holland brengen. Opvallend is dat mensen uit dezelfde faktie (De Witt- Stoop) tegenover elkaar stonden.
7. Martinus Bosschaert 1697
7.1 Verloop van het beroep
Dit keer nam de president-burgemeester het initiatief. Mr. Johan Bladegem van Woensel maakte namens de oudraad bekend dat men mocht beginnen met het beroep, want het jaar na het overlijden van ds. Sappius was voorbij81.
De nominatie ging van vijfendertig naar twaalf, de burgemeester werd ingelicht. Toen ging de nominatie naar zes en naar drie, te weten ds. Petrus Bondaen, ds. Nicolaus van der Meer (alweer!) en ds. Johannes d'Outrein (alweer). De burgemeesters voegden hier drie namen bij, namelijk die van ds. Antonius Martini, ds. Martinus Bosschaert en ds. Petrus Bondaen (de laatste stond al op de nominatie van de kerkeraad)82.
In het collegium mixtum kozen de burgemeesters voor ds. Bondaen, de kerkeraad bleef bij...ds. Van der Meer83. De geschiedenis (van het vorige beroep) lijkt zich te herhalen, maar na enig overleg werd eenparig gekozen voor ds. Bondaen uit Arnhem. Deze nam het beroep echter niet aan en de procedure begon opnieuw84. Na de grote nominatie ging men van twaalf naar zes en drie: ds. Nicolaes van der Meer, ds. Petrus Jacobi en ds. Hieronimus Wilhelmus Snabelius. De burgemeesters voegden ds. Antonius Martini, ds. Martinus Bosschaert en ds. Everhardus Luijting hieraan toe85.
In het collegium mixtum werd ds. Petrus Jacobi gekozen, van de lijst van de kerkeraad. Hij werd door de oudraad geimprobeerd.
De oudraad wilde het collegium mixtum uitbreiden om in geval van nood geen vertraging op te lopen met het beroep86. De kerkeraad vond dit niet nodig. De wens van de burgemeesters, om binnen veertien dagen een nieuw beroep te doen, werd door de kerkeraad onmogelijk geacht87. Het beroep begon weer van voor af aan met de grote nominatie, vervolgens naar vierentwintig, twaalf, zes en drie: ds. Johannes d'Outrein, ds. Hieronimus W. Snabelius en ds. Johannes Cramer. De burgemeesters voegden hier ds. Martinus Bosschaert bij88.
In het collegium waren er vier stemmen voor ds. Bosschaert en vier voor ds. d'Outrein. Het voorstel van de president- burgemeester om te loten werd aangenomen89. Het lot viel op ds. Martinus Bosschaert en deze nam het beroep aan90.
7.2 Achtergronden en mogelijke verklaringen
Het feit dat de president-burgemeester het initiatief nam is opvallend. Meestal moest de kerkeraad "bidden en smeken" om
handopening.
De kerkeraad ging nu al met de nominatie van twaalf naar de
burgemeesters om deze goed te laten keuren. De burgemeesters voegden drie personen toe aan de nominatie van de kerkeraad, waaronder ds. Martinus Bosschaert, uit IJzendijk.
In het collegium mixtum bleek dat de kerkeraad behoorlijk
vasthoudend kon zijn. In het vorige beroep ontstonden grote problemen toen de kerkeraad bleef bij ds. Van der Meer en de regering bij ds. Sappius. Nu kwam de kerkeraad weer met ds. Van der Meer. Na enig overleg werd besloten om ds. Bondaen, uit Arnhem te beroepen, die zowel op de nominatie van de kerkeraad als de regering stond.
Ds. Bondaen sloeg af en er werden nieuwe nominaties gemaakt.
In het collegium mixtum werd gekozen voor de predikant die als tweede op de lijst van de kerkeraad stond (eerste was weer ds. Van der Meer!), namelijk ds. Petrus Jacobi van Enkhuizen. Dit werd een beetje vreemd gebracht in de oudraad. Secretaris Everwijn deed verslag uit naam van de burgemeesters (Waarom deden zij dit zelf niet ? Waren zij zelf niet aanwezig ? Waarom niet ?) Er werd gemeld op een manier van: Wij hebben ds. Petrus Jacobus gekozen en jullie mogen nu approberen of improberen en durf hem eens af te keuren ! De oudraad durfde inderdaad ds. Petrus Jacobi te improberen. In hun resolutie gaven zij helaas geen enkele reden hiervoor91. Over ds. Jacobi kon ik helaas geen gegevens vinden. Bij de derde nominatie van de kerkeraad was ds. Van der Meer verdwenen. Hierbij werd alleen ds. Bosschaert gevoegd. In het collegium mixtum waren er vier stemmen voor ds. d'Outrein, waarschijnlijk van de kerkeraad, die dus een Coccejaan wenste en vier stemmen voor ds. Bosschaert, waarschijnlijk van de vier burgemeesters92.
Het is in dit beroep de derde keer dat hij door de burgemeesters aan de nominatie werd toegevoegd. Waarom zouden zij hem zo graag willen? Over de richting van ds. Bosschaert heb ik niets kunnen vinden. Stamboomonderzoek wees echter uit dat ds. Martinus Bosschaert een zoon was van...het oudraadslid Willem Lodewijcsz. Bosschaert.
Deze Willem Bosschaert was (waarschijnlijk) niet verwant aan de grote Dordtse geslachten, die grote invloed hadden op de stadspolitiek. Hij kwam in 1676 in de oudraad. Ten tijde van het beroep was hij de de elfde in ouderdom in de oudraad, maar die stemde volgens rangorde in plaats van leeftijd.
De burgemeesters voegden dus tot drie maal ds. Bosschaert toe aan de nominatie, een teken dat de regering hem graag wilde hebben. Opvallend is dat tot twee keer toe een predikant van de nominatie van de kerkeraad wordt gekozen in het collegium mixtum. Hieruit zou geconcludeerd kunnen worden dat de burgemeesters op de hand waren van de kerkeraad en dat de oudraad hen steeds dwong tot toevoeging van hun favoriet.
Het beroep werd beslist door een loting. Dit is apart, want in het vorige beroep werd ook een loting voorgesteld. Dat leverde een hoop problemen op. Er waren kerkeraadsleden die een loting niet tegenover God konden verantwoorden93. Dat kan nu blijkbaar wel. Het lot viel op Martinus Bosschaert. Ik ben benieuwd wat de regering had gedaan, als het lot op de ander was gevallen. Of had het Dordtse stadsbestuur maatregelen genomen, zodat het lot wel op Bosschaert moest vallen ?
8. Konflikten in de tijd
Dordrecht is onder de loep genomen van 1672 tot 1770. Het bleek dat de beroepingen die problemen opleverden begonnen in 1677, 1682, 1691 en 1697. Het is opvallend dat de konflikten zich dus afspelen aan het begin van de onderzochte periode. Als we dit tijdvak nader bekijken, dan blijkt dat het nagenoeg samenvalt met de regering van de koning-stadhouder Willem III, die vanaf het rampjaar 1672 tot aan zijn dood in 1702 aan de macht was. De invloed van Willem III is niet direkt aan te wijzen, ik ben zijn naam niet in de stukken tegengekomen. Maar indirekt kon hij natuurlijk een vinger in de pap hebben, door het benoemen van Oranjegezinde stadsbestuurders. Zij zouden in de kerkeraad dan kiezen voor de predikanten, die de voorkeur hadden van Willem III.
Na het kinderloos overlijden van Willem III in 1702 brak het Tweede Stadhouderloze tijdperk aan. In Dordrecht werden er nu vele kontrakten van correspondentie gesloten; om beurten zouden de vrijkomende ambten over de twee partijen worden verdeeld, om zo in harmonie te kunnen regeren. Tijdens het stadhouderloze tijdperk waren er geen konflikten bij beroepingen. Het lijkt waarschijnlijk dat de konflikten werden veroorzaakt door Willem III, hetzij door hem persoonlijk (maar hiervan zijn geen bewijzen), hetzij door de situatie die ontstond omdat er een stadhouder was. Zonder stadhouder waren er geen problemen, omdat de stadsregering alles onderling kon beslissen zonder bemoeienis van een Oranje. De regenten regeerden dan in harmonie en hadden geen noodzaak om elkaar eens dwars te zitten in de kerkeraad.
Toen prins Willem Karel Hendrik Friso in 1747 aan de macht kwam, liet hij deze situatie (met de vele conventies tussen de Dordtse regeerders) vrijwel ongemoeid. Tijdens zijn bewind waren er dan ook geen konflikten.
9. Conclusie
Tussen 1672 en 1770 hebben zich in Dordrecht vier konflikten voorgedaan bij het beroepen van een nieuwe predikant. Deze problematische beroepingen begonnen in 1677, 1682, 1691 en 1697 en duurden tussen een half- en twee jaar.
In de inleiding werd vastgesteld dat er drie categoriën oorzaken van de konflikten waren, namelijk persoonlijke-, formele- en politieke redenen.
Het eerste konflikt was ook het langste van de onderzochte periode en duurde twee jaar. De mogelijke oorzaken waren financiële problemen, m.b.t. de hoogte van het traktement, waardoor het moeilijk werd een bewaam predikant te vinden; en faktietegenstellingen, pas na een wijziging in het collegium mixtum kwam er schot in de zaak.
Het tweede konflikt duurde een jaar. De oorzaak hiervan was de geloofsrichting. De kerkeraad wilde een Voetiaan en de regering een Coccejaan.
Het derde konflikt duurde een half jaar en was kort maar hevig. De kerkeraad wilde een predikant, die waarschijnlijk Coccejaan was, het lijkt dus of de geloofsrichting weer de oorzaak is. Maar de regering gaf de voorkeur aan een andere predikant, die familie bleek te zijn van de president-burgemeester. Het konflikt liep uit in een debat over de rechten van de kerkeraad en de oudraad en kwam zelfs voor het Hof van Holland.
Het vierde en laatste konflikt duurde een jaar. Wanneer de eerste predikant, die na wederzijds overleg eenparig werd gekozen, het beroep had aangenomen, dan had er niets aan de hand geweest. Maar hij sloeg af. De tweede kandidaat van het collegium mixtum werd zonder opgaaf van redenen door de oudraad geimprobeerd. De oorzaak van het afkeuren van deze predikant is op geen enkele manier te achterhalen. Uiteindelijk werd degene gekozen, die al drie keer door de regering bij de nominatie was gevoegd. Deze dominee bleek een zoon te zijn van een oudraadslid, dat echter niet zo op de voorgrond trad.
Deze konflikten kwamen alleen voor tijdens de regering van koning-stadhouder Willem III. In het daaropvolgende Tweede Stadhouderlozetijdperk en de regeringsperiode van Willem Karel Hendrik Friso bleef het rustig, waarschijnlijk omdat in deze tijd de regenten alles onderling regelden, zonder bemoeienis van buiten, en omdat ze daarom onderling geen konflikten hadden.
Voor dit werkstuk is alleen gebruik gemaakt van de kerkeraadsnotulen en de resoluties van de oudraad. Onderzoek in classicale notulen zou misschien een mooie aanvulling geven, want de kerkeraad riep bij problemen de hulp in van de classis. Het lijkt mij dat de afgevaardigden van de Dordtse kerk dan meer informatie zullen verschaffen, omdat de andere leden van de classis niet precies op de hoogte zijn van de verhoudingen in Dordrecht en daarom zal een duidelijke uitleg gegeven moeten worden van de situatie.
10. Notenlijst
Noten bij hfdst. 2 De politieke situatie in Dordrecht
1. J.A.F. de Jongste, Onrust aan het Spaarne. Haarlem in de jaren 1747-1751, (Dieren 1984) 65.
2. J.L. van Dalen, Geschiedenis van Dordrecht (1931) 171.
3. Jongste, Onrust Spaarne, 71.
4. Dalen, Geschiedenis Dordrecht, 173.
5. Vreemd dat er wordt gesproken van een president- burgemeester, een term om aan te geven dat dit de belang- rijkste van de burgemeesters was. In die tijd was er nog maar één burgemeester.
6. Dalen, Geschiedenis Dordrecht 188.
7. Ibidem, 193.
8. Ibidem, 202.
9. Ibidem, 211.
10.Drs. G. Veldhuijzen, Nieuwe heeren nieuwe kussens. Het regentenpatriciaat van Dordrecht 1672-1685, (Dordrecht 1988), 24.
11.Veldhuijzen, Kussens, 25.
12.N. Japikse, "De Dordrechtse regeeringsoligarchie in het midden der zeventiende eeuw. Naar aantekeningen van R. Fruin", Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde, 6e reeks I (1924), 6.
13.Veldhuijzen, Kussens, 35.
14.Ibidem, 32.
15.Ibidem, 46.
16.Ibidem, 73.
17.Dalen, Geschiedenis Dordrecht, 1142.
18.Ibidem, 226.
19.Ibidem, 227.
Noten bij hfdst. 3
De kerkelijke situatie in Dordrecht
20.Martinus Soermans, Kerkelijk register van de plaatsen en namen der predikanten van alle de classes gehoorende onder de synodus van Zuyd-Holland (Dordrecht 1695) 23.
21.Veldhuijzen, Kussens, 9.
22.Dalen, Geschiedenis Dordrecht, 782.
23.Kerkeraadsakta, Gemeentearchief Dordrecht (GAD),
inv. nr. 27.17, 28-7-1673.
24.A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, kerk en kerk- volk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt (Assen 1984) hfdst. 5.
25.Deursen, Bavianen, 91.
26.Groenhuis, De predikanten, 22.
27.Groenhuis, De predikanten, 166.
28.Ibidem.
29.Groenhuis, De predikanten, 169.
30.Ibidem, 168.
31.Collegeaantekeningen d.w.c. de predikanten.
32.Groenhuis, De predikanten, 96.
33.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 11-3-1677.
34.Dalen, Geschiedenis Dordrecht, 783.
35.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.538, 28-6-1677.
36.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.63, 13-12-1696 f. 89v.
Noten bij hfdst. 4
Elias Surendonck 1679
37.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 20-3-1677.
38.Ibidem, 21-3-1677.
39.Ibidem, 23-3-1677.
40.Ibidem, 9-5-1677.
41.Ibidem.
42.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.538, 28-6-1677.
43.Ibidem.
44.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 29-6-1677.
45.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.538, 28-6-1677.
46.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 29-6-1677.
47.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.538, 23-8-1677.
48.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 2-9-1677.
49.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.55, 29-5-1678.
50.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 15-11-1678.
51.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.55, 4-4-1679.
52.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 4-4-1679.
53.Ibidem, 16-4-1679.
54.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.15, 21-2-1662 en
28-2-1662.
55.Naamlijsten van hervormde predikanten sedert de reformatie per provincie, gekopieerd uit Van Alphen's nieuw kerkelijk handboek resp. jaargangen 1903, 1907-1912, 1914, 1949 en 1950, zie genoemde plaatsen.
56.Album Studiosorum Academiae Lugduno Batavae 1575-1875
('s-Gravenhage 1875), 455.
57.Naamlijsten van hervormde predikanten, 110.
58."Uitgave van reijskosten en vacatien heeren pension. en
secr.: Betaelt aen onkosten op de reijse naar Schiedam
ende Oudewater tot het hooren van de predikanten Schagen
ende Rulitius met de heeren Borgemr. Stoop, van Meeuwen ende Sts Hallingh d. Lidius in de maent september 1677 bij
specificatie ord.tie en qtie CXLIX pond IXD."
GAD, inv. nr. 3.2678 f. 66v.
59.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.56, 4-4-1679.
Noten bij hfdst. 5
Salomon van Til 1683
60.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.17, 14-5-1682.
61.Ibidem, 6-11-1682.
62.Ibidem, 28-1-1683.
63.Ibidem, 25-6-1683.
64.Ibidem, 2-7-1683.
65.G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht (Utrecht 1841-1845)
deel 2, 33.
Noten bij hfdst. 6
Jacobus Sappius 1691
66.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.60, 20-1-1691.
67.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 1-2-1691.
68.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.60, 19-2-1691.
69.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 22-2-1691.
70.Ibidem, 18-3-1691.
71.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.60, 2-4-1691.
72.Ibidem, 18-4-1691.
73.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 3-5-1691.
74.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.541.
75.Ibidem, inv. nr. 3.542.
76.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 26-6-1691.
77.Ibidem, 28-6-1691.
78.In de kerkeraadsakta inv. nr. 27.18 van 22-2-1691 werd gesproken over president-burgemeester Stoop, dit was ook het geval in de resoluties van de oudraad inv. nr. 3.60 van 18-4-1691.
79.Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, deel XX, 1966 (Den Haag 1966), blz. 215-221.
80.Joop de Jong, Een deftig bestaan. Het dagelijks leven van regenten in de 17de en 18de eeuw, (Utrecht 1987), 88.
Noten bij hfdst. 7
Martinus Bosschaert 1697
81.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.62, 7-12-1695.
82.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 4-1-1696.
83.Ibidem, 5-1-1696.
84.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.63, 16-1-1696.
85.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 20-1-1696.
86.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.63, 17-4-1696.
87.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 20-4-1696.
88.Ibidem, 15-11-1696.
89.Ibidem, 3-12-1696.
90.Resoluties van de oudraad, GAD, inv. nr. 3.63, 9-3-1697.
91.Ibidem, 17-4-1696.
92.W.M. den Hertog, 100 portretten van godgeleerden in
Nederland uit de 16e, 17e en 18e eeuw (Houten/Utrecht 1982)
86.
93.Kerkeraadsakta, GAD, inv. nr. 27.18, 28-6-1691.
12. Literatuurlijst
- Aa, A.J. van der, Biographisch woordenboek der Nederlanden (Haarlem 1878).
- Album Studiosorum Academiae Lugduno Batavae 1575-1875
('s-Gravenhage 1875).
- Archiefdienst gemeente Dordrecht, Gids voor het gebruik van de archieven en verzamelingen (Dordrecht z.j.).
- Balen Jansz., M., Beschrijvinge der stadt Dordrecht
(Dordrecht 1677).
- Beresteyn, E. A. van, Kruimel, H. L., Genealogisch Repertorium, 3 delen, (Den Haag 1972 en 1984).
- Beuningen, W. van, Het geestelijk kantoor van Delft: eene bijdrage tot de geschiedenis der geestelijke goederen en van den vroegeren kerkelijken toestand van onderscheidene
gemeenten in een gedeelte van Holland, (Arnhem 1870).
- Bie, J.P. de, Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, 6 delen (Den Haag z.j.)
- Bosschaert, A.A., Het geslacht Bosschaert ( 1955?)
- Brans, Johannes Henricus, Kerkelijk register der predikanten
welke in de XI classen van de synodus van Zuid-Holland van den jare 1702 tot het einde van 1801 en dus in eene volle eeuwe zijn beroepen, verroepen of overleden.
(Rotterdam, Leiden en Sneek, 1802).
- Dalen, J.L. van, "De oude regeeringsvorm van Dordrecht I",
Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis en oudheidkunde
4e reeks III (1903) 225-290.
- Dalen, J.L. van, De Groote_kerk_te_Dordrecht (Dordrecht
1927)
- Dalen, J.L. van, Geschiedenis van Dordrecht (Dordrecht 1931).
- Deursen, A.Th. van, Bavianen en slijkgeuzen, kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldebarnevelt (Assen 1984).
- Groenhuis, G., De predikanten, De sociale positie van de
gereformeerde predikanten in de Republiek der Verenigde
Nederlanden voor + 1700 (Groningen 1977).
- Glasius, B., Biographisch woordenboek van Nederlandsche godgeleerden, 3 delen, ('s-Hertogenbosch 1856).
- Hertog, W.M. den, 100 portretten van goedgeleerden in
Nederland uit de 16e, 17e, 18e eeuw (Houten/Utrecht 1982).
- Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie
deel XX 1966 (Den Haag 1966).
- Japikse, N., "De Dordrechtse regeeringsoligarchie in het midden der zeventiende eeuw. Naar aantekeningen van R. Fruin", Bijdragen_voor_vaderlandsche_geschiedenis_en
oudheidkunde 6e reeks I (1924) 6-22.
- Jong, Joop de, Een_deftig_bestaan._Het_dagelijks_leven_van
regenten_in_de_17de_en18de_eeuw (Utrecht 1987).
- Jongste, J.A.F. de, Onrust aan het Spaarne. Haarlem in de jaren 1747-1751 (Dieren 1984).
- Kobus, J.C. en Rivecourt, jhr. W. de, Biographisch woorden-
boek_van_Nederland (Arnhem en Nijmegen 1886).
- Naamlijsten van hervormde predikanten sedert de reformatie per provincie, gekopieerd uit Van Alphen's nieuw kerke- lijk handboek resp. jaargangen 1903, 1907-1912, 1914, 1949 en 1950.
- Nederland's_Patriciaat, Den Haag 1910-...
- Schotel, G.D.J., Kerkelijk_Dordrecht (Utrecht 1841-1845).
- Schouten, H.J., Register_op_de_geslachtsnamen,_voorkomende
in_de_"Beschrijvinge_der_stad_Dordrecht"_van_Matthijs
Balen 1677 (Den Haag 1909).
- Soermans, Martinus, kerkelijk_register_van_de_plaatsen_en
namen_der_predikanten_van_alle_de_classes_gehoorende
onder de_synodus_van_Zuyd-Holland (Dordrecht 1695).
- Veldhuijzen, G., Nieuwe_heeren,_nieuwe_kussens. Het
regentenpatriciaat van Dordrecht 1672-1685,
(Dordrecht 1988).
- Vrolikhert, Godewardus, Vlissingsche kerkhemel (Vlissingen en Middelburg 1758).
- Wall, Pieter Hendrik van de, Handvesten, privilegien, vrij heden, voorregten, octrooijen en costumen; midsgaders
sententien, verbonden, overeenkomsten en andere voornaame
handelingen der stad Dordrecht (Dordrecht 1780).
12. Lijst van archivalia
Gemeentearchief Dordrecht
Archief van de Nederlands-Hervormde kerk
Inv. nr.: 27.16, kerkeraadsakta 8- 1-1665/24- 2-1673.
27.17, " " 23- 3-1673/12- 1-1690.
27.18, " " 26- 1-1690/30-12-1707.
27.19, " " 1- 1-1708/30-12-1717.
27.20, " " 13- 1-1718/ 1- 7-1723.
27.21, " " 12- 7-1723/28- 9-1730.
27.22, " " 12-10-1730/29-12-1746.
27.23, " " 12- 1-1747/21-12-1756.
27.24, " " 14-11-1756/13-12-1764.
27.25, " " 17-12-1764/31-12-1774.
Bestuur van Dordrecht, de oudraad
Inv. nr.: 3.55, resoluties van de oudraad 1676-1678.
3.56, " " 1679-1682.
3.57, " " 1683-1684.
3.60, " " 1690-1691.
3.62, " " 1694-1695.
3.63, " " 1696-1697.
Bemoeiingen van de oudraad, kerkelijke zaken:
Inv. nr.: 3.538, 1677 aug 23 en 31 besognes in het collegium mixtum over het beroepen van een predikant.
3.539, 1683 juli 3 gecommitteerden oudraad over
ds. van Til.
3.541, 1691 mei 2 beroep op Sappius.
3.542, 1691 mei beroep op Sappius.
Inv. nr.: 3.2678, thesauriersrekeningen van 't Groot Comptoir
rekening over 1677, rendant Mr. Hugo Baen.
Bijlage B
=========
Burgemeesters tijdens de konflikten:
Surendonck 1677-1679
1677 1678
Arend Muys van Holy Mattheus van den Broucke
Adriaen van Blijenburgh Adriaen van Blijenburgh
Mr. Samuel Everwijn Mr. Pompejus Berck
Mr. Pompejus Berck Mr. Pieter Brandwijk van Blokland
1679
Mattheus van den Broucke
Mr. Nicolaas Stoop
Mr. Pieter Brandwijk van Blokland
Mr. Jacob van Mewen
Van Til 1682-1683
1682 1683
Mattheus van den Broucke Johan de Witt
Adriaen van Blijenburgh Mr. Willem Brandwijk van Blokland
overl. 16-9-1682 Mr. Jacob van Mewen
Cornelis de Vries Willem de Witt overl. 19-9-1682
overl. 7-8-1681
Willem de Witt
1684
Gerard Francken
Mr. Willem Brandwijk van Blokland
Arend Muys van Holy
Mr. Jacob van Mewen
Sappius 1691
Bosschaert 1695-1696
1695 1696
Johan van Neurenburgh Mr. Meynard van Segwaert
Mr. Roelof Eelbo Mr. Barthout van Slingelandt
Mr. Nicolaas Stoop Mr. Roelof Eelbo
Mr. Pompejus de Roovere Mr. Johan Bladegem van Woensel
Bijlage_I
LIJST VAN GENONIMEERDE PREDIKANTEN DORDRECHT
(Onderstreept = beroepen)
1673 Vereijcken Oudewater
Johannes Dibbetius Den Briel
Leonardus Batavia
Verhorst Den Haag (Hoogduitse kerk)
De Meij Gorinchem
Burmannus Utrecht (prof. theologie)
1677 1. Doreslaer Alblasserdam
Nic. Lydius Zoeterwoude
Rulitius Oudewater
Groenewegen Streefkerk
Hollebeek Alphen
Baersenborch Geertruidenberg
Hier bijgevoegd door regering :
Ervoldus Bennebroek, Eterschem Schaerdam
Schagen Schiedam
Coning Alblas
Du Bois Gorkum
Keppel Amerongen
Lakeman Ilpendam
Er wordt niemand beroepen,
in1679 deze lijst van kkr naar burg.
2. Doreslaer Alblasserdam
Nic. Lydius Zoeterwoude
Rulitius Oudewater
Groenewegen Streefkerk
Hollebeeck Alphen
Baersenburg Geertruidenberg
Cornelius Stratenus Arnhem
Elias Surendonck Numansdorp
Balthasar Schalken Pernis
Adrianus Cruyskercken St. Anthoniepolder
Remigius Meijs
Henricus Groenewegen
1680 Rolandus Geervliet
Meye Oudenbosch
Theodorus Colvius Gouda
Cruijskercken St. Anthoniepolder
Van Houten Delfshaven
Stratenus Arnhem
1681 Cambier 's-Gravendeel
Cantzius Oud-Beijerland
Stratenus
Rulicius Oudewater
Du Bois Gorkum
Hamerus Numansdorp
De gedep. burgemeesters in het collegium mixtum
stellen voor:
Cantzius Oud-Beijerland
Cambier 's-Gravendeel
Cruyskerken St. Anthoniepolder
Van den Hatert
Rulicius Oudewater
Bashuysen Zwijndrecht
1683 Holbeek Hendrik-Ido-Ambacht
Bashuysen Zwijndrecht
Groenewegen
Hamerus Numansdorp
Leenhoff Zwolle
Schalcken Charlois
Bijgevoegd door burgemeesters:
Du Bois Gorkum
Van Til(t) Medemblik
1688 Benoeming van drie predikanten tegelijk.
Kolf Maassluis
Bijnaus Naarden
Van der Meer Doesburg
Schalcken Charlois
Magerus Middelharnis
Crollius Westmaas
Van Driese Medemblik
d' Outrein Franeker
Van Giffen Sneek
Burgemeesters hebben hierbij gevoegd :
Hollebeek Hendrik Ido Ambacht
Cruyskercken Bleskensgraaf
Sappius Bommel
Oldenburgh Emden
Van den Bergh Wamelen
Velsen Woerden
De Bruyn Stavoren
Alardijn Wesel
Cuylenburgh Heusden
1691 Nicolaus van der Meer Wezel
Jacobi Enkhuizen
d'Outrein Arnhem
Burgemeesters voegen hierbij :
Sapphius Bommel
1697 Petrus Bondaen Arnhem
Nicolaus van der Meer Wezel
Johannes d'Outrein Arnhem
Burgemeesters voegen hierbij :
Antonius Martini Den Bosch
Martinus Bosschaert IJsendijk
Petrus Bondaen Arnhem SLAAT BEROEP AF
Nieuwe nominatie :
Nicolaus van der Meer
Petrus Jacobi GEKOZEN IN COL.MIX, GEIMPROBEERD
Hieron. Wilh. Snabelius Deventer
Hieraan voegen de burgemeesters toe :
Antonius Martini Den Bosch
Martinus Bosschaert IJssendijk
Everhardus Luijting Rijnsburg
Derde nominatie :
d' Outrein Arnhem
Snabelius Deventer
Cramer Enkhuizen
De regering voegde hieraan toe :
Bosschaert IJzendijke
1700 Joh. Cramer Enkhuizen
Otto Swalmius Enkhuizen
Joh. Crollius Muiden
De regering voegde hieraan toe :
Petrus Wallendal Medenblik SLAAT BEROEP AF
Na overleg in het collegium mixtum wordt gekozen :
Otto Swalmius Enkhuizen SLAAT BEROEP AF
Tweede nominatie :
Joh. Crollius
Joh. d' Outrein Arnhem
Joh. de Bruijn Wezel
De regering voegde hieraan toe :
Hermannus Biesterveld Bommel
1701 Joh. de Bruijn Wezel
Joh. d' Outrein Arnhem
Joh. Crollius
1703 J. d'Outrein Arnhem
Alberthoma Deventer
Cramer Enkhuizen
1705 Twee predikanten tegelijk benoemd :
Johannes Vekhoven Delfshaven
Albertus Albertoma Deventer
Johan de Moragiere Wezel
Simon Stratenus Schiedam
Abraham van Rijssel Nijmegen
Abraham de Braconier Nijmegen SLAAT BEROEP AF
Albertus Albertoma Deventer
Winand Canzius Zierikzee
Johannes de la Morasiere Wezel
1706 Wilhelmus Rombouts Schoonhoven
Ludovicus de la Coste Simonshaven
Petrus de Wal Zutphen
1709 Cornelius Vrolijkhart Zutphen
Cornelis Kuik van Mierop Nijmegen
Jacobus du Pire Heenvliet
1710 Johan Doreslaer Enkhuizen
Balthazar Bondaen Bommel
Jacobus Simonides Naaldwijk
1713 Johannes Tierens Arnhem
Johannes Hagelis Den Briel
Cornelis Houthof Oudewater
1714 Johannes Thieren Arnhem
Johannes Hagelis Brielle
Johannes Petrus Kanzius Alkmaar
1715 Johannes Noordbeek Holwert
Joh. Herm. Brender Deventer
Johannes Haak Reeuwijk
1717 Arnoldus Borstius Delfshaven
Adrianus Verster Bovenkarspel
Jacobus Schermer Tiel
1719 Henricus Ruisch Arnhem
Cornelius Vrolikhart Zutphen
Johannes Noortbeek Deventer
Bijlage 3
Petrus Bondaen
1691 Rijnsburg
1692 Arnhem
1703 Utrecht
1710 Amsterdam, overl. aldaar 1734.
Martinus_Bosschaert
ged. Dordrecht 13-9-1668, zoon van Willem en Maria van der Nat, tr. Dordrecht 12-5-1700 met Anna Jacoba Winkelman.
Uit dit huwelijk:
1. Jacob Willem, ged. Dordrecht 15-4-1701.
2. Willem Hendrik, ged. Dordrecht 14-8-1702.
3. Maria Elisabeth, ged. Dordrecht 26-9-1704.
4. Willem Hendrik, ged. Dordrecht 23-10-1705.
5. Martinus, ged. Dordrecht 9-9-1707.
6. Martinus Michiel, ged. Dordrecht 22-5-1711.
1694 IJzendijke (Walcheren)
1697 Dordrecht, overl. aldaar 1742.
Uit: Schotel, Kerkelijk Dordrecht, dl. 2, blz. 107.
P. Jacobi
1674 IJzendijke proponent
1680 Enkhuizen, overleden aldaar 1703
Everhardus Luijting
1687 Bunnik veldpredikant 1690
1693 Rijnsburg
1697 Edam
1699 Zwolle
1703 Haarlem, overl. aldaar 1727
Antoni Martini
geb. Wezel 6-2-1654, zoon van jhr. Bernard en Aletta del Bene.
overl. Den Bosch 23-6/7-1730.
Opleiding: Utrecht o.l.v. Leusden, Burman, Essenius.
11-3-1680 proponent classis Leiden
18-8-1680 Sassenheim
10-9-1683 Den Bosch
6-6-1684 hoogleraar godgeleerdheid
21-8-1725 emeritaat
Tr. met Geertruid, dochter van de Amsterdamse rechtsgeleerde Paulus Buys.
Uit dit huwelijk:
1. Bernard.
2. Mr. Hendrik.
Uit: Van der Aa, Biografisch woordenboek, dl. 12, blz. 321. NNBW
Zie aldaar voor verdere literatuur.
Nicolaas_van_der_Meer
1679 Otterlo
1682 Nieuwkerk
1689 Doesburg
1689 Wezel
1694 Zutphen, overl. aldaar 1698.
Hij maakte zich bekend door zijn nieuwe berijming van de psalmen. Hij dichtte ze in de trant van Dathenus, maar tevens ook op andere tonen en zangwijzen. Volgens Van Iperen schikte hij zich vooral naar de bijzondere verklaringen van Salomon van Til, in zijn "Digt sang en speelkonsten" en in "het eerste boek der snaarliederen". Men vindt van hem ook een gedicht voor de lijkreden van David Flud van Giffen op Jacobus Sappius, predikant te Dordrecht.
Uit: Van der Aa, Biografisch woordenboek, dl. 12, blz. 478.
Zie daar voor verdere literatuurverwijzing.
Johannes_d'Outrein
Geb. Middelburg 1662, overl. Amsterdam 24-2-1722. Zoon van Cornelis Hendrix en Catharina Somer.
Opleiding: Franeker 1680, dr. filosofie 1682.
1685 Oostzaan
1687 Franeker, tr. aldaar met Geertruida Sluiter.
1691 Arnhem
1703 Dordrecht
1708 Amsterdam.
Geleerd man, deed veel voor cathechese. Ernstig coccejaan.
Rulitius
1669 Berkel
1675 Oudewater
1681 Haarlem, overleden aldaar 1696.
Jacobus_Sappius
Ged. Amsterdam 13-11-1657, overl. Dordrecht 8-2-1695, ondertr. Wezel 17-12-1684 met Elizabeth de Veer, ged. Wezel 24-10-1664, overl. Veere.
J._Schagen
Opleiding Utrecht april 1653, uit Alkmaar
Leiden 19-2-1657, 21 jaar, theologie. Alba kolom 455.
1658 Sijbekarspel (N-H) proponent
1667 Schiedam
1678 Delft, overleden aldaar 8-6-1707.
Hieronimus_Wilhelmus_Snabelius
Gekomen van Parijs, van de ambassade.
1681 Heemstede
1686 Deventer
1698 Bremen als hoogleraar
Elias Surendonck
proponent onder de classis Zuid-Beveland
conrector te Goes
1668 predikant Kalishoek
Nisse
1678 Oud-Beijerland
1679 Dordrecht (i.p.v. ds. Ravenstein)
Aldaar vond hij zijn bloedverwant Petrus Surendonck, sedert 1674 hoofd der Latijnsche school.
Uit: Schotel, Kerkelijk Dordrecht, deel II, blz. 8-10.
Deze Petrus Surendonck was een zoon van Guillielmus Surendonck. Guillielmus werd geboren in 1601, rector te Gorinchem, 1643-1651 Utrecht, later te Rotterdam, waar hij in 1662 stierf. Petrus was rector te Goes, conrector te Den Haag 1670, in 1674 naar Dordt, 1681 Utrecht, 1685 Den Haag, daarna naar Middelburg en Amsterdam.
Uit: Van der Aa, Biografisch woordenboek, blz. 1076.
El