Inwoners 's-Gravendeel 1593-1811
Leidse studenten 1575-1812
Historie Hoeksche Waard
Genealogie Soeteman/Zoeteman
English
Contact
Home
Inleiding

Deze scriptie heeft als onderwerp het bestuur van het oostelijk deel van de Hoeksche Waard. Met name de dorpsbesturen van 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen worden bestudeerd. Kleinere gemeenten die ook in dit deel van de Hoeksche Waard liggen, zoals onder andere St. Anthoniepolder en Strijensas, zullen buit en beschouwing blijven; enerzijds om het toch al omvangrijke onderzoek binnen de perken te houden, anderzijds omdat er van deze plaatsjes niet genoeg archiefmateriaal aanwezig is. Het dorpsbestuur bestond uit een schout en een bepaald aantal schepenen. In deze scriptie worden schouten en schepenen van 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen gevolgd die tussen 1700 en 1780 in funktie waren. Voor deze periode is gekozen omdat er dan voldoende bronnen zijn voor het onderzoek. Bovendien wilde ik de periode vóór de invoering van de Burgerlijke Stand onderzoeken. Het onderzoek eindigt met het jaar 1780, vóór de patriottentijd begon die zorgde voor veel onrust en bestuurswisselingen in de dorpen. Eerst wordt een beeld geschetst van het oostelijk deel van de Hoeksche Waard en de geschiedenis van deze streek. Na een algemeen overzicht van de bestuursstruktuur van een dorp volgt een nadere beschouwing van het bestuur van de vier dorpen.

De hoofdvraag van dit onderzoek is: wie waren er schouten en schepenen van ' s -Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen tussen 1700 en 1780? Van 's-Gravendeel en Puttershoek bestonden al lijsten met namen, maar een naam alleen zegt zo weinig. De namen van alle schouten en schepenen van de vier dorpen zullen worden opgezocht en v an iedereen wordt na genealogisch onderzoek een gezinsblad gemaakt. De funktie van schepen was geen dagtaak. Ook schouten hadden vaak een nevenfunktie. Ik wil onderzoeken welke beroepen zij hadden. In de onderzochte periode moest men bij het aangeven van hu welijk en overlijden belasting betalen, al naar gelang van welstand. Aan de hand van de belastingklasse en evt. aanwezige testamenten wordt onderzocht hoe rijk (of hoe arm) schouten en schepenen van deze dorpen waren. Ongetwijfeld zullen velen in het bestu ur zijn gekomen van hun geboorteplaats. De vraag is echter waar de bestuurders bij wie dit niet het geval was, vandaan kwamen. Was er onderscheid tussen de vier dorpen, in die zin dat het ene dorp meer "vreemdelingen" in het bestuur had dan het andere dorp? Was er onderscheid tussen schouten en schepenen wat betreft de plaats van herkomst? Het vermoeden bestaat dat schouten vaak van "ver" weg kwamen, dat zij door de ambachtsheer van elders gehaald werden. Uit literatuur bleek dat in steden bepaalde families jarenlang in het bestuur zaten. Vermoedelijk was dit in de Hoeksche Waard ook het geval. Onderzocht wordt welke families er aan de macht bleven. Men was vroeger gewend om te trouwen binnen de eigen kring. De laatste vraag waarop deze scriptie een antwoord wil vinden is of er onderling veel getrouwd werd tussen bestuursfamilies. Er wordt onderzocht of er ook kontakt met de dorpen in de nabije omgeving (zich uitend in huwelijken) was. Met de uitkomsten van het onderzoek naar de hiervoor genoemde onderwerpen kan hopelijk een duidelijk beeld worden geschetst van het dorpsbestuur van de oostelijke Hoeksche Waard.

De bronnen
Voor het onderzoek is gebruikt gemaakt van de rechterlijke- en notariële archieven, de gaarderregisters, de doop-, trouw- en begraafboeken en de Burgerlijke Stand van 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen. Helaas werd het onderzoek bemoeilijkt door incomplete bronnen. Van 's-Gravendeel ontbreken alle doop- en trouwboeken. Van Maasdam ontbreken hiervan gedeelten, de gaarder is fragmentarisch overgebleven en bovendien is het notariële archief slechts bewaard gebleven van 1680 tot en met 1705. Van Puttershoek begint het notariele archief pas in 1718. Van Strijen is nog het meeste bewaard gebleven, van dit dorp ontbreken alleen de trouwboeken. Ondanks deze beperkingen was het toch mogelijk van iedere bestuurder een gezinsblad te maken.


De bestuurlijke structuur

2.1 De ambachtsheer (m/v)
Er bestonden twee soorten heerlijkheden: een ambachtsheerlijkheid en een hoge-, vrije- of halsheerlijkheid. De ambachtsheren hadden het recht van middelbare en lage jurisdictie, de halsheren oefenden bovendien de hoge, criminele jurisdictie uit52 . De vier onderzochte plaatsen in de Hoeksche Waard waren allemaal een ambachtsheerlijkheid. Het was voor mannen én vrouwen mogelijk aan het hoofd te staan van een heerlijkheid, maar omwille van de beknoptheid wordt in deze scriptie alleen de term ambachtsheer gebruikt.

Funktie-inhoud - De rechten die de ambachtsheer had werden ambachtsgevolg genoemd. Hij had het recht om ambtenaren en bedienden van het ambacht aan te stellen. De schout, secretaris en bode en in de meeste gevallen ook schepenen en waterschapsbestuurders werden door de ambachtsheer aanges teld53. Volgens Rypperda-Wierdsma zijn deze laatste twee aanstellingen meer en meer, naar het schijnt door de heren aan de schouten overgelaten54 . Van deze ontwikkeling heb ik echter geen spoor gevonden in het oostelijk deel van de Hoeksche Waard. Verder wa s als ambachtsgevolg aan een heerlijkheid verbonden het recht een deel te ontvangen van de boeten. De ambachtsheer had ook allerlei privaatrechtelijke bevoegdheden en rechten, zoals jachtrecht, visrecht en recht van tolheffing55. Meestal voorzag de ambachtsheer in behoeften, waarin anders niet of veel later zou zijn voorzien. In veel gevallen waren stichting en onderhoud van kerken en scholen, aanleg en verbetering van wegen geheel of grotendeels aan de ambachtsheer te danken 56. Het ambacht bezat keurbevoegdheid. Er mochten verordeningen gemaakt worden, geldend voor het eigen gebied en krachtens deze verordeningen kon worden gestraft57.

Ambachtsgevolg van de heren van de vier dorpen - De koper van de ambachtsheerlijkheid 's-Gravendeel kreeg het recht schout, secretaris, bode en vendumeester aan te stellen58 . Deze ambachtsheer mocht ook uit de nominatie van het gerecht de nieuwe schepenen kiezen. De koper van Strijen kreeg ook de aanstelling van de schout, secretaris en bode, maar de schepenen werden door de Staten uit een nominatie van de baljuw gekozen 59. De ambachtsheer van Maasdam koos onder andere schout, secretaris, bode, kerkmeesters en schoolmeester. Het was een gewoonte deze benoemingen jaarlijks op de dag der verpachtingen, op tiendverpachting te verlengen60 . De ambachtsheer van Puttershoek had wel het recht schout, secretaris, schepenen, bode en heemraad van Nieuw Bonaventura aan te stellen, maar niet de schoolmeester61.

Eigenaren van een ambachtsheerlijkheid - Er waren drie manieren om in het bezit te komen van een heerlijkheid. De eerste manier was door wettelijke vererving. Een voorbeeld hiervan: een stad bezat een ambachtsheerlijkheid. Deze heerlijkheid stond echter op naam van één persoon uit het stadsbestuur. Na zijn overlijden wees het stadsbestuur een opvolger aan. Zo'n vererving bleek uit "acten van verlei", dat zijn de akten, waarbij door de Staten van Holland het ambacht werd overgedragen aan de nieuwe ambachtsheer. Van d eze manier van vererving was sprake bij de ambachtsheerlijkheid 's-Gravendeel. De tweede manier was door testamentaire vererving. Dit bleek uit een testament en een "acte van verlei". Puttershoek en Maasdam zijn op deze manier jarenlang doorgegeven in bep a alde families. De derde manier om in het bezit te komen van een ambachtsheerlijkheid was aankoop. Een openbare verkoping bleek door de meestal gedrukte, uitvoerige voorwaarden van verkoop, de daarop gevolgde koopakte en de daarmee aansluitende "acte van verlei". In deze akten werd meestal zeer summier aangegeven welke leenpercelen (en rechten) in het verlei begrepen waren62. De Staten van Holland hadden geld nodig en zij besloten heerlijkheden te verkopen. Een resolutie van 1721 bepaalde de algemene voorw aarden, waarop de ambachtsheerlijkheden die deel uitmaakten van de domeinen, verkocht zouden kunnen worden. In 1731 werd Strijen verkocht aan Mr. Mattheus Lestevenon, burgemeester van Amsterdam en 's-Gravendeel werd eigendom van de stad Dordrecht. De verk oop van de ambachtsheerlijkheden bracht een juridische verandering voor de dorpen; na eerst eigendom van de Staten te zijn geweest, kwamen zij in handen van een particulier, de ambachtsheer. Van de vele heerlijkheden, die tussen 1723 en 1741 zijn uitgegeven, is een groot aantal in handen van bestuurders en of inwoners van deze ambachten gekomen63 . Dit was niet het geval bij de vier onderzochte dorpen. Vele steden probeerden heerlijkheden te kopen, of uit publiek-rechtelijke overwegingen en/of uit economisch belang. Dit laatste was meestal de hoofdreden voor aankoop64. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw kochten stadsregeringen heerlijkheden aan op naam van de stad. De stad moest dan een leenheffer of leenhouder aanstellen, op wiens naam de heerlijkhei d werd gezet en bij wiens dood de voor de overgang van het leen verschuldigde hofrechten en heergewaden betaald moesten worden. Overigens regelde het stadsbestuur zelf en niet de leenheffer de administratie van het ambacht en van de inkomsten van de heerl ijke goederen en rechten65. Het aanwijzen van de leenheffer had dus geen ander doel dan de Staten zekerheid te verschaffen dat zij niet de bij overgang van lenen verschuldigde hofrechten en heergewaden zouden mislopen66 . Het Dordtse oudraadslid mr. Paulus Gevaerts was leenhouder van 's-Gravendeel67. Toen hij in 1771 overleed, nam mr. Pieter Pompe van Slingeland zijn funktie als leenheffer over.

Inkomsten - De ambachtsheer had verschillende bronnen van inkomsten. Hij ontving een deel van de opgelegde boeten en hij kon tolheffen. Verder kreeg hij ook geld van de schout, het recognitiegeld. Dit geld betaalde de schout voor zijn funktie. De Maasdamse schout, Arie de Coningh, kocht in 1743 voor het leven de verplichting af tot het betalen van recognitiegelden aan d e ambachtsheer van der Duyn. Hij betaalde eenmalig achthonderd gulden voor de funkties van schout, secretaris, bode en gaarder der verpondingen van de 100e en 200e penning van Maasdam68 . Toen de ambachtsheerlijkheid 's-Gravendeel in 1731 verkocht werd, liet het Dordtse stadsbestuur de zittende schout en secretaris, Cornelis Bosveld, in funktie, mits deze een jaarlijkse recognitie zou betalen van 450 gulden69 . De hoogte van het recognitiegeld van de schout bleek per plaats te verschillen.


2.2 Het dagelijks bestuur

1. De schout
Benoeming - Het schoutambt van 's-Gravendeel en Strijen werd in de periode vóór hun verkoop verpacht door de Staten van Holland en West Friesland. Deze verpachting gold voor een bepaald aantal jaren en kon verlengd worden. Na 1731 werden de schouten van de vier dorpen aangesteld door hun ambachtsheer. De aanstelling was in het alge meen voor onbepaalde tijd en meestal tot wederopzegging70. De schout vertegenwoordigde de ambachtsheer. Oorspronkelijk waren de ambachtsheren zelf schout. Na 1550 was dit een uitzondering. Het kwam echter nog tot het einde van de achttiende eeuw voor dat de ambachtsheer zelf het schoutambt, en soms ook nog het secretariaat, waarnam71. In de vier dorpen was dat niet het geval.

Funktie-inhoud - De schout was het hoofd van de plaatselijke regering in het ambacht. Een belangrijke taak van de schout was het opsporen en aanhouden van misdadigers. Daarna zorgde hij voor "het spannen van de lage vierschaar", dat wil zeggen het bijeenroepen van de schepenen voor de rechtspraak. De schout was voorzitter van de schepenbank en bracht de zaken ter tafel. Na de uitspraak va n het vonnis door de schepenen was hij met de uitvoering belast. Als we de schout in onze huidige samenleving moesten plaatsen, dan was hij commissaris van politie en officier van justitie tegelijk. Daarnaast had hij taken die hem door de ambachtsheer ware n opgedragen, zoals handhaving van de orde, het toezicht op het onderhoud van de wegen, waterlopen en dijken, controle op drankhuizen en de publikatie van ordinantiën en plakkaten. Een andere taak van de schout, van belang voor het handelsverkeer, was het verifiren van handmerken, de ondertekening, in officile akten72. Onder leiding van de schout waren verschillende personen werkzaam, zoals een secretaris, een bode, een vendu-meester voor de openbare verkopingen, schepenen voor de rechtspraak, kroosheemraden voor de schouw van wegen en wateren, armmeesters en turf- of slikmeters voor het toezicht op de veenderij. Zij legden allen ieder zittingsjaar de eed af in handen van de schout.

Inkomsten - De schouten in Holland hadden het zegelrecht over alle brieven en s tukken die door het gerecht werden afgegeven. Op die stukken werd een zegel geplakt, een klein vierkant stukje papier met hierop een "ingekerfd" stempel. De schout ontving voor het zegelen een vast bedrag van zes stuivers per stuk in het algemeen, een pro p ortioneel bedrag van zes stuivers per honderd tot duizend gulden en bij grotere sommen opklimmende, op de koopbrieven, de schuld- en rentebrieven. De schouten in Holland ontvingen het "pondgeld" op de verkoop van onroerende goederen: een bedrag van meesta l 1 1/4 of 1 2/3 deel of ander evenredig deel van de waarde. Voor alle stukken kwam daar bovenop een recht voor het tekenen daarvan en verder een bedrag voor vacatiegelden van de schout73 . Voor zowel schout en secretaris als de andere funktionarissen, waaronder schepenen, bestond het inkomen voornamelijk uit vacatiegeld en emolumenten74 . Vacatiegeld is de vergoeding voor het bijwonen van de zittingen van het gerecht. Emolumenten zijn de ongeregelde, bijkomende verdiensten boven het vacatiegeld.

2. De schepenen
De taken - De schepenen, over het algemeen zeven in totaal, spraken recht onder voorzitterschap van de schout. Hoger beroep was mogelijk bij de baljuw of hieraan voorbijgaand, bij het Hof van Holland. In Holland gold dat de schepenbanken in de ambachtshee rlijkheden de kleinere overtredingen, zoals beledigingen, berechtten. Omdat slechts kleine geldboeten konden worden opgelegd, werd het recht beschouwd als civiele rechtspraak75 . Verder hielden de schepenen zich bezig met de voluntaire rechtspraak, zoals het opmaken van akten, koopbrieven, huwelijksvoorwaarden en testamenten en het regelen van openbare verkopingen. De oudste schepen, ook wel president-schepen genoemd, verving de schout bij afwezigheid. Allewijn meende dat de secretaris van 's-Gravendeel plaatsvervangend schout was76. Regelmatig was de schout was echter ook secretaris van 's-Gravendeel en kon in dat geval niet zichzelf vervangen bij afwezigheid. Hoewel de schepenen aangesteld waren door de ambachtsheer vertegenwoordigden zij de inwoners van het ambacht. De schout en secretaris vertegenwoordigden de ambachtsheer77.

Inkomsten schepenen - De inkomsten voor de schepenbanken bestonden uit vacatiegeld, leges en rechten op de gerechtelijke stukken.


Het dorpsbestuur in de Hoeksche Waard

3.1 Het aantal schepenen
In 's-Gravendeel waren er zeven schepenen, net als in Strijen. Regt beweerde dat er in Strijen veertien schepenen waren, zeven regerende en zeven rustende. Van de regerende "gingen" er jaarlijks twee of drie af, die dan door andere van de zeven rustende v ervangen werden79 . Het is jammer dat Regt zijn bron hiervoor niet vermeldde. In mijn onderzoek ben ik niets tegengekomen over "schepenen in ruste". Natuurlijk is het wel zo dat nieuwe schepenen uit een bepaalde, beperkte groep werden gekozen, maar ik betwij fel of deze groep slechts uit zeven personen bestond. Regt sprak in zijn boek over de Hoeksche Waard ook over het Maasdamse bestuur, bestaande uit een schout met zeven schepenen. Deze schepenen fungeerden tegelijkertijd als dijkgraaf en heemraden van het Oudeland van Maasdam80 . Hij geeft helaas niet aan over welke tijd hij spreekt. Uit mijn onderzoek bleek dat er slechts vier schepenen waren in Maasdam. Waarschijnlijk is voor 1700 al een scheiding ontstaan tussen dorps- en polderbestuur. Maasdam was ook kle iner dan de overige dorpen, dus waarschijnlijk was het aantal van vier schepenen voldoende om alles te regelen. Puttershoek was een geval apart. Rond 1700 waren er vijf schepenen. In sommige jaren varieërde het aantal. Toen in 1751 de grootte van het dorpsbestuur opgegeven moest worden, werd het aantal van vier schepenen genoemd81 . De overgang van vijf naar vier lag waarschijnlijk rond 1720. Als het totale aantal schepenen, dat tussen 1700 en 1780 in funktie is geweest, per plaats wordt bekeken, zijn er gro te verschillen. 's-Gravendeel had in totaal 101 schepenen, Maasdam slechts 18. Puttershoek en Strijen hadden er respektievelijk 25 en 70. Deze verschillen zijn waarschijnlijk te verklaren door het feit dat het aantal zittingsjaren van de schepe- nen per plaats nogal uiteenliep. In Maasdam bleken zij soms twintig jaar achtereen deze funktie uit te oefenen. In 's-Gravendeel wisselde het college van schepenen sterk. De meesten waren niet langer dan twee jaar achter elkaar in funktie.

3.2 Verkiezing van schepenen
De zittende schout en schepenen maakten ongeveer een maand voor Pinksteren een lijst met daarop de namen van de huidige schepenen en evenzoveel namen van nieuwe kandidaten. Deze lijst werd een nominatie genoemd. Uit deze lijst werden door de ambachtsh eer de nieuwe schepenen "geë ligeert" (gekozen). Op Eerste Pinksterdag werd dan door de schout, na de ochtenddienst in de kerk bekend gemaakt, wie de nieuwe schepenen met ingang van de dag daarop zouden zijn. Deze schepenen waren een jaar in funktie van Pin ksteren tot Pinksteren. Op Tweede Pinksterdag legden zij de eed af in handen van de schout82. Bij het onderzoek ben ik ervan uitgegaan dat in alle vier de plaatsen het zittingsjaar met Pinksteren begon. Van 's-Gravendeel en Strijen bleek uit de electies, d ie bewaard zijn gebleven, dat deze veronderstelling juist was. In Maasdam ging dit waarschijnlijk ook op. Alleen Puttershoek leverde problemen op. Bij het opstellen van de lijst met zittingsjaren van de schepenen kwam het voor dat er in éé n jaar enkele sch epenen "te veel" waren. Als bijvoorbeeld wordt gekeken naar het jaar 1771, dan lijkt het waarschijnlijk dat men in Puttershoek werkt per kalenderjaar. Maar het jaar 1740 spreekt dit weer tegen. Ondanks enige twijfel is ook bij Puttershoek het zittingsjaar dat begon met Pinksteren gehandhaafd.

3.3 De schepeneed
De schepenen zworen dat zij de gereformeerde kerk zouden bevorderen en helpen handhaven, dat zij de rechten van hun ambachtsheer- of vrouwe zouden helpen handhaven, dat zij getrouw zouden zijn aan de constitutie en regeringsvorm van Holland, de Staten (na 1747) en de erfstadhouder uit het huis Oranje, dat zij ten allen tijde bijeen zouden komen als zij door de schout of de bode daartoe werden gedagvaard, dat zij weduwen en wezen eerlijk zouden help en, dat zij onpartijdig recht zouden spreken en dat zij dit niet zouden nalaten om wille van familiebanden, persoonlijke voorkeuren of giften en dat zij verder alles zouden doen zoals het een goed schepen betaamde. De eed werd bekrachtigd met "Zo waarlijk helpe mij God Almachtig"83.

3.4 Plaats van herkomst van de bestuurders
De verwachting bestond dat schouten van ver kwamen, in ieder geval van buiten de Hoeksche Waard. Zij werden immers benoemd door de Staten van Holland, of door de ambachtsheer. Beide instanties bevonden zich niet in de buurt van de vier dorpen. Uit het onderzoek is echter gebleken dat niet alle schouten van ver weg kwamen. Het aantal mannen dat sc hout werd in de eigen geboorteplaats was ongeveer gelijk aan dat van schouten van buiten de Hoeksche Waard. Er waren vier schouten die niet van het eiland kwamen. Daarvan kwam de helft toch uit de buurt. Deze twee Puttershoekse schouten kwamen uit Dordrec h t en de Lind. Met de Lind werd waarschijnlijk Grote Lind bij Zwijndrecht bedoeld. Grote Lind was met het Puttershoekse veer te bereiken. Van vier schouten bleef de plaats van herkomst onbekend. Het is zeer waarschijnlijk dat zij ook van buiten het eiland kwamen84. Het bleek dat de meeste schepenen in hun geboorteplaats in funktie waren. Ongeveer de helft van de 's-Gravendeelse en Maasdamse schepene n was ook in diezelfde plaats geboren. In Strijen lag het percentage nog iets hoger, maar Puttershoek spande de kroon. Hier waren bijna alle schepenen er ook geboren. De schepenen die niet in Puttershoek waren geboren, drie stuks in totaal, kwamen niet van ver. Eé n kwam uit het oostelijk deel van de Hoeksche Waard, de anderen kwamen van het eiland IJsselmonde, uit respektievelijk Ridderkerk en de Lind. Deze schepen uit de Lind, Jacob van Vliet, werd later schout. Opvallend was dat de schepenen van Puttersho ek, net als de schouten, van dichtbij kwamen. De schepenen van Maasdam kwamen praktisch allemaal uit de Hoeksche Waard. De twee die hier niet vandaan kwamen, waren afkomstig uit Rijsoord en Oosterhout. Het dorp Maasdam ligt in de Hoeksche Waard en niet zoz eer aan de rand ervan, zoals Puttershoek en 's-Gravendeel. Men zou denken dat daarom vrijwel alle schepenen uit de Waard zelf kwamen, maar dit gaat niet echt op. Want Puttershoek, dat aan het water ligt, had net als Maasdam de meeste schepenen uit de Hoek sche Waard en zelfs het meerendeel uit het dorp zelf. Strijen had de meeste schepenen uit het huidige Noord-Brabant. Dat is goed te verklaren, deze plaats is van de onderzochte dorpen degene die hier het dichtst bij ligt. Men hoefde het Hollands Diep maar over te steken en men was al in Brabant. 's-Gravendeel leverde veel problemen op in het onderzoek naar de plaats van herkomst. In de eerste plaats werd hiervoor gekeken naar de geboorteplaats of, in de meeste gevallen, de doopplaats. Maar van 's-Gravendeel zijn alle doopboeken helaas verloren gegaan. Daarom werd verder gekeken naar de plaats van herkomst, zoals vermeld bij de ondertrouw. Indien dit ook niet bekend was, werd gekeken naar de plaats waar de ouders woonden. Als de ouders ook al in 's-Gravendeel gevestigd waren, dan is het waarschijnlijk dat hun kinderen daar geboren zijn. Van de vier dorpen had 's-Gravendeel de meeste schepenen van buiten het eiland en bovendien kwamen zij van ver. Waarschijnlijk kwam er éé n, de winkelier Christiaan Groote, zelfs uit Duitsland. Als hij werkelijk daar vandaan kwam, dan was dat in strijd met een resolutie van de Staten van Holland, waarin bepaald werd dat niet-Hollanders hier geen ambten mochten bekleden85 . 's-Gravendeel was een haven, die aan een drukke scheepvaartroute lag. Met als gevolg dat dit dorp de meeste "verre" schepenen had.

3.5 Beroepen
De meeste schouten in dit deel van de Hoeksche Waard hadden een nevenfunktie. Het kwam voor dat de schout ook secretaris was van het ambacht. Verder was de meest voorkomende bijbaan van de schouten in deze streek notaris. De Maasdamse schout Arij de Conin gh had het wel druk; hij was verder schout, secretaris en notaris van Mijnsheerenland en ambachtsheer van Mijnsheerenland en Groeneveld. In tabel 3, op de volgende bladzijde, staan de beroepen van de schepenen. Het kwam voor dat mensen verschillende beroepe n tegelijk uitoefenden. Daarom zijn de totalen in deze tabel soms hoger dan het aantal schepenen. Er zitten aparte combinaties bij, zoals een timmerman/herbergier. De bronnen voor het beroep waren het notarieel- en het rechterlijk archief. Het was geheel afhankelijk van de notaris of secretaris, of zij het beroep vermeldden. In 's-Gravendeel kwam het beroep vaak in de stukken voor. Bovendien is het gehele notarië le- en rechterlijke archief geklapperd in de fichescollectie van het Streekmuseum. Van 's-Gravendeel was het daarom mogelijk ongeveer 50 procent van de beroepen te achterhalen. De bronnen voor Puttershoek waren niet geklapperd. Ik heb toen zelf ongeveer tachtig jaar van het notarieel archief doorgewerkt. Dit archief begint veel later d a n in 's-Gravendeel en helaas zat er een notaris, die zelden een beroep vermeldde. Van Maasdam kwamen nog enige gegevens uit de fichescollectie. Voor de beroepen van de Strijense schepenen is dankbaar gebruik gemaakt van het onderzoek dat gedaan wordt naar de bewoners van huizen en boerderijen, die onder de jurisdictie van Strijen vielen. Als bekend was dat een schepen op een boerderij woonde, dan was het zeer waarschijnlijk dat hij bouwman (=boer) was. Een paar schepenen klommen later op tot schout van dezelfde plaats. Er is eigenlijk te weinig bekend om een definitieve * Hiervan is één waarschijnlijk. Funktie bij het wachthuis. uitspraak over de beroepen van schepenen te doen. Een voorlopige conclusie is dat het beroep van bouwman het meeste voorkwam. Dat was wel te verwachten, omdat de Hoeksche Waard een agrarisch gebied was. Op de tweede plaats kwam de chirurgijn en op de derd e plaats stond de herbergier. De Blécourt heeft ook onderzoek gedaan naar het dorpsbestuur. Hij trok de conclusie dat schepenen voor het meerendeel, zo niet uitsluitend boeren waren; enkelen waren analfabeet of konden nauwelijks schrijven86. Deze conclusie geldt ook min of meer voor de Hoeksche Waard.

3.6 Inkomen
Er zijn inkomensgegevens van schout en schepenen uit 1751. In dit jaar moest elk dorpsbestuur aangeven hoeveel men kreeg per funktie. De schout van Strijen had een "tractement", een salaris. Dit be droeg samen met de emolumenten jaarlijks nog geen driehonderd gulden. Het inkomen van de zeven schepenen bleef ook onder dit bedrag87 . De schout van 's-Gravendeel had geen tractement. Zijn inkomen had de laatste vijf jaar gemiddeld geen driehonderd gulden per jaar bedragen. Ook de schepenen zaten onder dit bedrag88 . In Maasdam was er een schout met vier schepenen. Zij kregen allen minder dan driehonderd gulden per jaar89. Puttershoek vormde een uitzondering. De schout, die geen tractement ontving, ontving n og geen honderd gulden. De vier schepenen kregen samen ook geen honderd gulden90 . Boven het bedrag van driehonderd gulden moest het ambtgeld, een bepaalde belasting worden betaald. Het bedrag dat men ontving voor het vervullen van een funktie was een aanvu lling op het inkomen, dat de schouten verdienden met hun nevenfunkties en de schepenen met hun dagelijks werk.

3.7 Rijkdom
Hoe meet je de rijkdom van een achttiende eeuwer? Het was onmogelijk van iedereen te weten te komen, hoeveel geld hij in totaal bezat. Uit testamenten bleek wel ongeveer hoe rijk iemand was, als bovenaan vermeld stond "beneden de ... gulden gegoed". Helaas stond dit slechts op zestien testamenten. Dit aantal was te klein om conclusies te trekken. Bovendien was zo'n testament een m omentopname uit een bepaald jaar. Om een goed beeld van de rijkdom te krijgen zouden er van één persoon testamenten moeten zijn uit verschillende jaren. Eé n ding bleek wel uit de beschikbare testamenten: een paar Strijense schepenen waren echt ontzettend rijk (voor Hoeksche Waardse begrippen). De bedragen van de zestien testamenten zijn opgenomen in bijlage E. Voor het meten van de rijkdom vielen de testamenten dus af, enerzijds door het kleine aantal, anderzijds omdat testamenten alleen werden opgemaakt doo r mensen die wat te verdelen hadden. Als indicator van de rijkdom van de schouten en schepenen heb ik toen gekozen voor de impost (belasting) op het trouwen en begraven. Deze belasting werd ingesteld per 26 oktober 1695. In de ordonnantie van deze datum w erd bepaald dat bij een huwelijk de bruid en de bruidegom ieder een bedrag aan belasting moesten betalen. Overeenkomstig de klasse waartoe zij behoorden, betaalden zij f30, f15, f6 of f391 . Indien van het bruidspaar beiden onvermogend waren, was de aangifte pro deo. Tijdens onderzoek in het gaarderregister van Puttershoek ontdekte ik dat bij een huwelijk man en vrouw in dezelfde klasse moesten betalen. In Strijen kwam het wel voor dat de man drie gulden betaalde en de vrouw zes92 . Hier gold die regel dus niet. Volgens dezelfde klassen als bij het huwelijk moest ook belasting bij het begraven van iemand worden betaald. Als de overledene naar een andere plaats werd overgebracht om daar te worden begraven, werd het bedrag verdubbeld. Als de overleden persoon ong ehuwd was, moest er ook dubbele belasting worden betaald. Zo kwam de regering toch aan het geld dat niet was betaald voor een huwelijk. De impost op trouwen en begraven werd bijgehouden in de gaarderregisters. In deze grafiek, gebaseerd op de gegevens uit bijlage E, zijn de vijf belastingklassen naast elkaar gezet. Hierbij zijn de klassen aangeduid met een om computertechnische redenen door mij gekozen nummer. De officië le klassen in de gaarder zijn: eerste klasse dertig gulden, tweede vijftien gulden, derde zes gulden en vierde drie gulden. Pro deo was geen officië le klasse. In deze grafiek zijn de gegevens van 209 schepenen van de vier dorpen verwerkt. De schepenen die later tot schout opgeklommen zijn, staan in de tabel voor schouten. Van elke onderzoch te groep zijn er dus 209 gevallen. Deze gevallen zijn verdeeld over de zes kolommen. De groep "overlijden schepen" spreekt voor zich. De groep "huwelijk" staat voor de klasse betaald bij het eerste huwelijk. De schouten en schepenen uit mijn bestand bleken maximaal drie keer te huwen. Het tweede- en derde huwelijk komt niet in deze grafie k voor. Het meerendeel trouwde maar éé n keer. Als de volgende huwelijken er wel bij waren genomen, had de kolom "onbekend" (in dit geval dus samen met "niet van toepassing") te groot geworden. Bovendien was het vaak onmogelijk een goed gemiddelde te nemen van de drie huwelijksaangiften van één persoon. De derde kolom vertegenwoordigt het overlijden van de eerste vrouw. Bij "overlijden kind" was het mogelijk een gemiddelde belastingklasse van alle jong overleden kinderen te berekenen. Helaas is de groep "onb ekend" de grootste. Op de meeste gaarders bestaan geen klappers, alfabetische overzichten die het zoeken vergemakkelijken. Het is dus een kwestie van bladeren rond de vermoedelijke huwelijks- of overlijdensdata. Dat is saai werk, dat bovendien ontzettend veel tijd kost. Verder waren er gaarders, die (in bepaalde perioden) de pro deo aangiften niet vermeldden. Met uitsluiting van de onbekenden blijkt de klasse van drie gulden de grootste te zijn. Maar dit gegeven zegt op zich niet veel. Belangrijk is om te w eten of dit normaal of "boven modaal" is. Dat is moeilijk te zeggen. In de gaarders zijn de aangiften meestal of pro deo of drie gulden. Maar er zijn gaarders die, in een bepaalde periode, geen pro deo aangiften vermelden. Dan lijkt de klasse van drie gul d en normaal. Dit is echter een vertekend beeld. Ik vermoed dat de klasse van drie gulden net iets boven modaal is. Bedragen van zes gulden en hoger waren uitschieters in de gaarder. Een flink aantal aangiften van schepenen viel in de klasse van zes gulden. De groep van vijftien gulden was klein. Verder was er een aantal rijke schepenen, zij vielen in de hoogste klasse. Het lijkt erop dat men of echt rijk was, of wat boven modaal zat, een tussenweg was er niet. Wanneer men bijlage E bekijkt, kan men min of meer de financië le levensloop van de schepenen volgen. Vaak begint het eerste huwelijk in een lage klasse en zijn overlijden of eventueel tweede huwelijk in een hogere klasse. Ook is soms duidelijk te zien, wanneer er met een rijke vrouw werd getrouwd. Er waren in dit tijdvak twintig schouten in 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen. Tabel 4 is eerst gesorteerd op overlijden schout, daarna op huwelijk, overlijden vrouw en overlijden kind. Vier schouten waren vrijgezel, namelijk Arij en Jacob Is a kse Maasdam, Jacob van der Merck en Paulus Bosveld (laatstgenoemde van 's-Gravendeel). Het is dus onnodig hen mee te laten tellen als onbekend bij huwelijk, overlijden van vrouw en kind. Bij de groep "overlijden schout" gaat het dus om twintig aangiften, bij de overige drie groepen maar om zestien. De familie de Quartel uit Strijen was het meest vermogend. Zij bezetten de eerste twee plaatsen, op de voet gevolgd door Jasper van Vliet van Puttershoek. Het lijkt erop dat de schouten die ongeveer vanaf 1730 hun funktie bekleedden, rijker waren dan hun v oorgangers. Dit valt niet met zekerheid te zeggen, omdat er van de "vroege" schouten te weinig gaardergegevens bekend zijn. Het is opvallend dat er bij de top vijf drie schouten zijn, die eerst schepen zijn geweest. Er valt niets te zeggen over de relatie tussen dorp en rijkdom van de schout. Uit deze grafiek blijkt duidelijk dat de schouten rijk zijn, in ieder geval rijker zijn dan de schepenen. De grootste klasse (alweer na "onbekend") is dit keer die van dertig gulden. Ook de klasse van vijftien gulden is bij de schouten goed vertegenwoordigd. Het is jammer dat er van de 's-Gravendeelse schouten Simon van der Walle en Jacob van der Merck geen gaardergegevens zijn. De eerstgenoemde werd uit zijn ambt gezet en zal waarschijnlijk hierdoor in levensstandaard achteruit zijn gegaan. De tweede had zijn hele vermogen van ongeveer 40.000 gulden erdoor gejaagd. Uit het begraafboek van 's-Gravendeel volgt dat zijn overlijdensaangifte waarschijnlijk pro deo was, maar dit was niet in de gaarder te vinden. Het gebruike n van gaarderregisters als bron voor de rijkdom van schepenen van de Hoeksche Waard kent ook nadelen. Ten eerste beslaat de gaarder van Maasdam slechts een drietal decennia. Ten tweede was met name de gaarder van Puttershoek niet zo uitvoerig als gewenst, met formuleringen als "Jan Jansen betaalt het recht op het begraven van zijn vrouw". De vrouw werd in dit geval niet met name genoemd en dan is het moeilijk te bewijzen dat je de overlijdensaangifte van de juiste persoon hebt. Het derde nadeel van de gaar d er is dat het in het gunstigste geval een indicator is van de periode van 1695 tot ongeveer 1800. Er waren namelijk bestuurders die trouwden voor, of overleden na dit tijdvak. Een voorbeeld hiervan is de Strijense schout Francois Frederik Loose. Van hem v i elen alleen het overlijden van zijn eerste vrouw en van zijn kinderen in de periode van de gaarder. Maar omdat bij tabel 4 gesorteerd werd op het begraafrecht van de schout, kwam hij in de lagere regionen terecht. Terwijl hij zeer rijk is geweest en dus b ovenin de tabel had moeten komen.

3.8 Afkomst
In deze grafiek zijn de gegevens verwerkt van alle schepenen uit de periode tussen 1700 en 1780. Het is dus geen momentopname uit een bepaald jaar, maar een totaaloverzich t. Het was mij tijdens het onderzoek opgevallen dat veel schepenen een vader hadden, die ook in het dorpsbestuur had gezeten. In deze grafiek is dit gegeven omgezet in konkrete cijfers. De onderste laag van de staven geeft twee groepen schepenen tegelijk aan. De eerste groep had een vader die niet in het bestuur zat. Van de tweede groep is niet bekend of de vader ooit schepen is geweest. Bij het maken van deze grafiek is niet gekeken of de vader schepen was van éé n van de vier dorpen. Daar ging het mij niet om, het maakte niet uit of pa schepen van Numansdorp of van Strijen was. Het belangrijkste was d'e1 t hij in het bestuur zat. Er bleek nog een derde groep te bestaan, namelijk die van schepenen met een vader die schout was geweest. Met behulp van deze grafie k kunnen een paar conclusies worden getrokken. In 's-Gravendeel is ruim 1/3 deel van het totale aantal schepenen in de voetstappen van hun vader getreden. Bij Strijen gaat het ook om 1/3 deel, als de groep schepenvaders samengenomen wordt met de schoutenv a ders. In Maasdam heeft bijna de helft een vader gehad die ook schepen was. In deze drie dorpen is er sprake van sterke oligarchisering: het bestuur bleef konstant in handen van een kleine groep mensen. Deze groep mensen was bovendien verwant aan elkaar. I n Puttershoek was de oligarchisering minder sterk. Daar had een kwart van alle schepenen een vader in het bestuur. Voor de verschillen tussen de dorpen heb ik geen verklaring kunnen vinden. Een tweede conclusie is dat alleen Strijen schepenen kent, met vade rs die schout zijn geweest. Ook dit is eigenlijk niet te verklaren. In 's-Gravendeel kwam het wel voor dat een schout een vader had, die in hetzelfde dorp schout was geweest. Maar andere zoons van de "vaderschout" werden geen schepen. Verder waren er een paar ongehuwde schouten in Maasdam en 's-Gravendeel en die leverden meestal ook geen schepenkinderen. De zonen van schepenen of schouten kwamen dus ook vaak in het dorpsbestuur. Uit het genealogisch onderzoek bleek dat dochters van schepenen vaak trouwden met mannen die schepen waren, of die dat later werden. Weduwen van schepenen hertrouwden regelmatig met andere schepenen van hun woonplaats. Men huwde vroeger veel binnen de eigen kring. Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat vrouwen vaak trouwden met een man die hetzelfde beroep had als hun vader. Verder huwden ook veel schependochters met schepenzonen. Ik verwijs hierbij naar bijlage G, waar u it blijkt hoe nauw het dorpsbestuur van een plaats met elkaar verwant was. In deze bijlage is slechts een selektie van relaties opgenomen, omdat het vanwege de hoeveelheid ondoenlijk was alle relaties te vermelden. Verder blijkt uit de verwantschapstabell e n van bijlage G dat het bestuur van de vier dorpen onderling verwant was. Er was in dit geval niet echt sprake van nauwe verwantschap. Meestal was men verre familie van elkaar, bijvoorbeeld als aangetrouwde neef. Maar het kwam ook voor dat schepenzonen, d ie zelf in het bestuur waren gekomen, trouwden met schependochters van andere plaatsen.


De methode van onderzoek

5.1 De namen
In de voorgaande hoofdstukken is het dorpsbestuur van vier dorpen onder de loep genomen. Maar hoe ben ik te weten gekomen wie er schout of schepen was? De namen van het bestuur van 's-Gravendeel, Maasdam en Strijen zijn grotendeels uit het oud-rechterlijk archief gehaald. Dit archief bevindt zich in het A.R.A. te Den Haag. De aanhef van deze akten was meestal als volgt: "Wij , Jan Jansen, Piet Pietersen en Claas Claasen, schout en schepenen van deze plaats". Het kwam ook voor dat de aanhef alleen vermeldde: "Wij, schout en schepenen van deze plaats ..." Dan is gekeken naar de namen van de ondertekenaars van de akte. In het gun s tigste geval was zo'n akte ondertekend door de schout en alle schepenen. Over het algemeen werd er getekend door de schout en twee schepenen. Dan moesten er dus meer akten van een jaar worden bekeken, totdat alle schepenen verzameld waren. In het oud-rech terlijk archief van het Land van Strijen stond jaarlijks de verkiezing van nieuwe schepenen beschreven. Ondanks enkele hiaten leverde dit dus gelijk de namen van alle schepenen in een jaar op. Een andere bron voor namen van dorpsbestuurders waren de gemeente-archieven. In deze archieven bevonden zich enkele stukken die ondertekend waren door schout en schepenen. Van 's-Gravendeel waren in het oud-rechterlijk archief in het Rijksarchief en het gemeentearchief van Dordrecht stukken aangaande nominatie en elect ie van schepenen vanaf de vijftiger jaren van de achttiende eeuw. De stukken met namen van de gekozen schepenen spraken voor zich. De lijsten met genomineerde schepenen leverden enig puzzelwerk op. Zo'n lijst begon met een aanhef, daarna volgden er zeven n amen, dan volgde er "op nieuws gekozen" met weer zeven namen. Hoe moet je nu "op nieuws" interpreteren? Betekende het dat deze mannen opnieuw worden gekozen en dat ze dus al schepenen zijn? Of betekende het dat dit nieuwe personen zijn en dat het eerste r ijtje dus de namen bevatte van de schepenen? Van enkele jaren waren er zowel een nominatie als een electie bewaard gebleven. Hieruit bleek dat het eerste rijtje namen de zittende schepenen waren. In het boek "1593 's-Gravendeel 1993" staat een lijst met nam en en zittingsjaren van de schepenen. Deze lijst is niet als bron gebruikt, omdat bleek dat er fouten in staan. Sommige zittingsjaren klopten niet, waarschijnlijk door het verschil tussen zittingsjaar en kalenderjaar, en er kwamen personen tweemaal op de lijst voor. Van Puttershoek bestond al een lijst met namen van alle dorpsbestuurders en hun zittingsperiode. Deze lijst staat in het boek "Verdwijnend Puttershoek". Bij controle bleek dat deze lijst enkele hiaten kende. Bovendien was er mijns inziens eenmaa l sprake van persoonsverwisseling.

5.2 Het bewijs
Nadat de namen van de dorpsbestuurders waren opgezocht werd er van ieder een gezinsblad gemaakt. Een gezinsblad is een genealogische term voor een overzicht met daarin de gegevens van een persoon, zijn oude rs, zijn huwelijk(en) en zijn kind(eren) met van iedereen de geboorte-, huwelijks- en overlijdensplaatsen en -data. Er zijn in totaal 229 gezinsbladen gemaakt, van 209 schepenen en 20 schouten. Wanneer van een dorpsbestuurder voornaam, patroniem (vadersnaam) en achternaam bekend waren, dan was hij vrij makkelijk te achterhalen. Meestal bleek uit de kaartenbak van het Streekmuseum of de doopklappers van het Rijksarchief dat er maar éé n iemand in de Hoeksche Waard voorkwam met die naamscombinatie. Dat moest dus wel de gezochte bestuurder zijn. Ook personen met een weinig gebruikelijke naam waren makkelijk te achterhalen. Als alleen voor- en achternaam bekend was, werd het zoeken iets moeilijker. Er waren bijvoorbeeld twee Maarten de Graaf's in de Hoeksche Waard, een Maarten Crijne de Graaf en een Maarten Ariens de Graaf. Wie van de twee was nu schepen van Puttershoek? Uiteindelijk bleek via een akte van indemnisatie (een document, afgegeven bij vert r ek uit een gemeente, waaruit bleek dat de geboorteplaats zich garant zou stellen wanneer de betrokkene in armoede zou vervallen) dat Maarten Crijne in 1743 verhuisde van Heinenoord naar Puttershoek, terwijl de zittingsperiode van de schepen in 1732 begon. Het zoeken naar de juiste persoon werd ook wel vergemakkelijkt doordat er soms in het doopboek achter de vadersnaam stond geschreven dat hij schepen was. Dit kwam helaas niet vaak voor. Als een schout zijn kinderen liet dopen, dan werd meestal wel zijn fu nktie vermeld. Een enkele keer bleek uit het archief of de bestuurderslijst van Puttershoek in welk jaar een persoon was overleden. Dit gegeven was een goed aanknopingspunt voor de speurtocht naar de juiste man. Met name in de gaarder van Strijen stond regelmatig de funktie van de aangever vermeld. Bijvoorbeeld: "datum, Schepe de Fonkert geeft overlijden aan van zijn soontie Jan, f..." Ook uit het rechterlijk- en notarieel archief kwamen aanwijzingen. In de akten stond meestal de funktie vermeld en een testa ment leverde meteen de namen van de echtgenoten, soms die van de kinderen en van verwanten, die als voogd werden aangesteld. Verder werden uit boedelbeschrijvingen, gemaakt na het overlijden van iemand, ook wel familieverhoudingen duidelijk. Ook transport (verkoop) akten leverden soms namen van bestuurders en hun echtgenotes op. Het vergelijken van de handtekening, als schepen uit het rechterlijk archief, met de handtekening (of het kruisje!) uit het notarieel archief, bijvoorbeeld onder een testament, leverde ook wel resultaat op.


Conclusie
Voor de beantwoording van de hoofdvraag van deze scriptie, wie er schouten en schepenen van de vier dorpen waren, verwijs ik naar bijlage C met hun namen en naar bijlage H met hun gezinsbl aden. Als er twijfel bestond of gekozen was voor de goede persoon, is dit op het gezinsblad vermeld. De schouten in het onderzochte gebied waren veelal ook secretaris. Bovendien oefenden zij vaak tegelijkertijd het beroep van notaris uit. Een schout van Ma asdam, Arij de Coningh, was ook nog schout van Mijnsheerenland. Over de beroepen van schepenen is slechts een voorlopige conclusie te trekken, omdat het archiefmateriaal "niet meewerkte". De meeste schepenen waren bouwman, boer dus. Bij het bepalen van de rijkdom van het dorpsbestuur bleken testamenten minder geschikt als meetpunt. Er zijn veel testamenten gelezen, maar slechts bij zestien hiervan stond het bezit in guldens vermeld. De gaarderregisters met de belasting op trouwen en begraven bleken wel een goed aanknopingspunt. De meeste schepenen zaten waarschijnlijk net boven modaal. Een kleiner gedeelte was rijk tot zeer rijk. De schouten waren over het algemeen welgesteld. In de gaarder kwamen aangiften van vijftien- en dertig gulden weinig voor. Hun tr ouw- en begraafaangiften vielen in deze twee hoogste klassen. De meeste schepenen waren in hun geboorteplaats in funktie. Maasdam en Puttershoek hadden de minste "vreemdelingen". Strijen had de meeste schepenen die afkomstig waren uit Noord Brabant en 's-Gravendeel had de meest verre schepenen, die uit praktisch alle hoeken van het land kwamen. Deze ontwikkeling in beide plaatsen is geografisch te verklaren: Strijen lag van de vier dorpen het dichtst bij Brabant. 's-Gravendeel was een havendorp aan een druk bevaren rivier. Het aantal mannen dat schout werd in de eigen geboorteplaats was ongeveer gelijk aan dat van schouten van buiten de Hoeksche Waard. Ook in het oostelijk deel van de Hoeksche Waard bleken bepaalde families generaties lang aan de macht te blijven. De zonen van schepenen of schouten kwamen meestal ook in het dorpsbestuur. Uit het genealogisch onderzoek bleek dat dochters van schepenen vaak trouwden met mannen die schepen waren, of die dat later werden. Weduwen van schepenen hertrouwden rege l matig met andere schepenen uit hun woonplaats. Een genealogisch overzicht met een selektie van familiebanden is opgenomen in bijlage G. Het bleek dat het bestuur in een dorp nauw verwant was. Er waren ook kontakten, zich uitend in huwelijken, tussen de vi er dorpen onderling. Maar de verwantschap met schepenen in andere dorpen was niet zo nauw als de verwantschap in een dorp zelf.


Notenlijst

Noten bij hfdst. 1 De geschiedenis van het oosten van de Hoeksche Waard 1. 'Andere kijk op historie door Romeinse vondst', Het Kompas, 24-12-1993. 2. 'Beroepsarcheoloog kan vernietigen van belangrijke gegevens beperken',Het Zuiden, Hoekschewaardbode, 7-10-1993. 3. Holland, Regionaal-historisch tijdschrift, (1979), 316. 4. Holland, (1982), 275. 5. 'Andere kijk', Kompas, 24-12-1993. 6. Holland, (1991), 344. 7. 'Foto's van F-16's leggen Romeinse vesting bloot, De Schakel, nieuws- en advertentie weekblad, editie Hoeksche Waard, begin okt. 1993. 8. 'Speurtocht F-16 levert resten Romeinse nederzettingen op', Algemeen Dagblad, 30-9-1993. 9. 'Hoeksche Waard wil haar bodem redden', NRC Handelsblad, 23-2-1994. 10. 'Foto's van F-16's', Schakel, begin okt. 1993. 11. 'Hoekschewaardse archeologen doen opnieuw spectaculaire vondsten', Zuiden, 24-2-1994. 12. 'F-16 foto's leiden tot nieuwe archeologische ontdekkingen', Schakel, 3-3-1994. 13. 'Weer spectaculaire vondst S.O.B.', Kompas, 2-3-1994. 14. Lezing gehouden door J. v.d. Bosch (S.O.B.) in 's-Gravendeel op 16-3-1994. 15. 'Andere kijk', Kompas, 24-12-1993. 16. 'Spectaculaire vondst', Kompas, 2-3-1994. 17. Kabel 10 TVkrant, editie Hoeksche Waard, 2-11-1993. 18. Holland, (1983), 283. 19. Taeke Stol, 'Opkomst en ondergang van de Grote Waard', Holland, (1981), 137. 20. Ibidem, 138. 21. S. J. Fockema Andreae, Studiën over waterschapsgeschie- denis, deel III, (Leiden 1950), 1. 22. In de gelezen literatuur over deze watersnood was geen overeenstemming over de juiste datum hiervan. 23. Stol, 'Opkomst en ondergang', Holland (1981), 141. 24. Fockema, Studiën, 38. 25. Maarten Valken ed., De kroniek van Nederland, (Amsterdam 1987), 187. 26. S. J. Fockema Andreae, Schets van Zuid-Hollandse waters- noden in vroeger tijd, (Voorburg 1953), 10. 27. Stichting Jubileumboek 's-Gravendeel, 1593 's-Gravendeel 1993: uit de geschiedenis van het dorp aan de Kil, (Oud-Beijerland 1993), 141.

Noten bij hfdst. 2 De bestuurlijke struktuur 52. A. S. de Blécourt, Ambacht en gemeente, 6. 53. Blécourt, Gemeente, 7. 54. Rypperda-Wierdsma, Politie, 214. 55. Blécourt, Gemeente, 7. 56. Tresling, Binnenmaas, 21. 57. Blécourt, Gemeente, 9. 58. Aanvulling op Staten van Holland, (A.R.A.), inv. nr. 5812. 59. Regt, Hoekschen Waard, 178. 60. Allewijn, Grooten Waert, 38. 61. Ambtgeld, (A.R.A.), inv. nr. 4046, blz. 333, 28-8-1751. 62. Blécourt, Gemeente, 11. 63. Rypperda, Politie, 211. 64. Ibidem, 210. 65. Blécourt, Gemeente, 12. 66. Ibidem, 13. 67. Archief 3 Oudraad van Dordrecht (G.A.D.), inv. nr. 3.1914, 8-10-1731, 39v. 68. Familie archief Van Assendelft de Coningh, (A.R.A.), inv. nr. 57. 69. Archief 3 Oudraad Dordrecht (G.A.D.), inv. nr. 3.1914, 8-10-1731, 39v. 70. Rypperda, Politie, 213. 71. Blécourt, Gemeente, 19. 72. Stichting, 's-Gravendeel, 35. 73. F. N. Sickenga, Bijdrage tot de geschiedenis der belastingen in Nederland (Leiden 1864), 476. 74. Blécourt, Gemeente, 18. 75. Ibidem, 32. 76. Allewijn, Groote Waert, 76. 77. Blécourt, Gemeente, 46. 78. Sickenga, Belasting, 476.

Noten bij hoofdstuk 3. Het dorpsbestuur in de Hoeksche Waard 79. Regt, Hoekschen Waard, 77. 80. Ibidem, 97. 81. Ambtgeld, (A.R.A.), inv. nr. 4046, blz. 333, 28-8-1751. 82. Allewijn, Groote Waert, 76. 83. O.R.A. Maasdam 10, 25-7-1733 en O.R.A. 's-Gravendeel 42, voorin, O.R.A. Strijen 27, voorin. 84. Het is waarschijnlijk dat zij van buiten de Hoeksche Waard kwamen, want anders had ik wel gegevens van hen gevonden in de kaartenbakken van het Streekmuseum in Heinenoord. 85. Tresling, Binnenmaas, 20. 86. Blécourt, Gemeente, 17. 87. Ambtgeld, (A.R.A.), inv. nr. 4046, f. 280-281, 4-9-1751. 88. Ibidem, blz. 293, 16-11-1751. 89. Ibidem, blz. 302, 7-9-1751. 90. Ibidem, blz. 333, 28-8-1751. 91. P. H. Engels, De geschiedenis der belastingen in Neder- land van de vroegste tijden tot op heden (Rotterdam 1848), 144. 92. Het Strijense echtpaar Gijsbert Blaak en Adriana Craije- steijn betaalde respectievelijk drie en zes gulden. Gaarder Strijen (A.R.A.) 24-3-1696.


Archivalia

Gemeentehuis Binnenmaas Maasdam Inventarisnummer: IV 2 Minuten van verzonden stukken enbrieven, resolutien, aanschrijvingen enz. ingekomen bij schout; schout en gerecht 1730-32; 1751 en 1752. X 12 Stukken betreffende de aanslag en het onderhoud van straatwegen 1717, 1742-52. X 13 Resolutie en publicatie van schout en gerechten, en verantwoording van de erfgenamen van A. de Koningh van de ontvangsten en uitgaven betreffende het leggen van de gemene buurstraatjes 1764. XII Registers van rekeningen van de kerkmeester, 1712?-1752. XIII Registers van rekeningen van de kerkmeester, 1753-1782. XV Bijlagen van de rekeningen van de kerkmeesters. XVI 4 Acten van verhuring van het beweiden van de Boesemkade van Maasdam door schout en schepenen als opperregenten der kerk, 1744-1770. XVI 6 Resolutie schout en gerecht over oplossing voor schulden van de kerk, 16-7-1768. XXII 3 Acten van verhuring van landerijen toebehorende aan armen 1755-1806. XXII 4 Contract tussen schout en gerecht, predikant en kerkeraad van Maasdam en Jan Jansz. van der Steegh en Hadewij Cornelis Bestebroer, 24-4-1709.

Gemeentehuis 's-Gravendeel Archief van het gemeentebestuur 1663-1980, 48 m. - diverse stukken

Gemeentehuis Strijen Archief van het gemeentebestuur 1587-1980, 132,1 m. - doos 2

Gemeentearchief Dordrecht Archief 3 Oudraad van Dordrecht Inventarisnummer: 3.1914 Staten en officien 1731, 8 oct. 1731, p 39v. Aankoop 's-Gravendeel. 3.2223 Nominatien van schepenen van 's-Gravendeel en Leerambacht opgemaakt door schout en schepenen. Origineel, 7 stuks. 3.2224 Cornelis Bosveld, schout 's-Gravendeel doet afstand t.g.v. zijn zoon Paulus Bosveld. Archief 125, familiearchief Repelaer Inventarisnummer: 140 Aanstelling Jan Huijge van Houck tot schout, 1698. 147 Aanstelling Casparus Kelderman tot schout 148 Borgstelling G. Kelderman voor zijn zoon, schout Casparus Kelderman 152 Borgstelling broers voor schout Casparus Kelderman

Algemeen Rijksarchief, Den Haag Rechterlijk archief: ORA 's-Gravendeel, toegangsnummer 3.03.08.042, inv. nr.: 5 Protocol van opdrachten en hypotheken, 1681-1707. 6 Idem, 1708-1735. 7 Idem, 1736-1765. 12 Scabinale akten, 1671-1703. 13 Idem, 1704-1716. 14 Idem, 1717-1722. 15 Idem, 1723-1728. 16 Idem, 1728-1731. 19 Idem, 1732-1734. 20 Idem, 1741-1745 21 Idem, 1746-1750. 22 Idem, 1751-1755. 25 Idem, 1762-1764. 42 Dingtaalrol 1681-1715 91 Register van de dorpsrekeningen 1652-1793. 94 Nominaties en electies van schepenen 1757-1794. 102 Register van akten van aangeving voor de collaterale successie met opgaven van de taxaties 1722-1728. 105 (niet raadpleegbaar ARA:) verklaring van schout en schepenen van 's-Gravendeel en Leerambacht dat twee personen hadden afgerekend zoals in de nevensliggende rekening geapostilleerd was 1713 (zonder die rekening) en een bijlage tot die rekening 1713. ORA Maasdam, toegangsnummer 3.03.08.092, inv. nr.: 4 Register van opdrachten en hypotheken 1697-1754. 5 Idem, 1755-1793. 9 Register van transporten en de 20e penning 1667-1713. 10 Regt- en testamentboek 11 "Vendubouck" 1648-1732. 12 Rol en dingtaalboek 1766-1810 18 Boedelinventarissen 1724-1737, 9 stukken 21 Alle de documenten concerneerende den geabandonneerde boedel van Jacob Noteboom, overleden in 1737. 23 Verkoopcondities 1740-1807 24 Judicieële akten (testamenten, attestaties, taxaties enz.) 1738-1808. ORA Puttershoek, toegangsnummer 3.03.08.149, inv. nr.: 4 Register van transporten, testamenten, enz. 1689-1702. 5 Idem, 1703-1721. 6 Idem, 1721-1731. 7 Idem, 1731-1747. 8 Idem, 1747-1769. 9 Idem, 1770-1794. 17 Salarisboek van verschillende procureurs en advocaten, 1704-1710. 24 Openbare verkopingen van roerende en onroerende goederen en openbare verhuringen, 1702-1710. 25 Idem, 1710-1713. 26 Idem, 1717-1728. 32 Dingtaalboek of civiele rollen, 1670-1766. 62 Akte van een houtveiling ten overstaan van schout en gerecht 1735. ORA Land van Strijen, toegangsnummer 3.03.08.184, inv. nr.: 2 Criminele rol van de baljuw van den lande van Strijen, 1666-1722. 3 Idem, 1723-1752. 7 Stukken behorende bij de criminele rollen 1633-1802. 8 Rol van de baljuw van den lande van Strijen van de notulen en dingtalen, gehouden voor schepenen commissarissen ter judicature van de gemene middelen gecommitteerd, 1708-1724. 10 Civiele rol, 1733-1800. 18 Previlegie van den lande van Putten en Strijen, 15e-17e eeuw. 21 Kopie criminele rol van de baljuw, 1752-1787. 26 Rekeningen van de baljuw (niet raadpleegbaar). 27 Civiele procesakten van de Hooge Vierschaar, 1722-1775. ORA Strijen toegangsnummer 3.03.08.183, inv. nr.: 5 "Protocol of gifteboek van den dorpe en heerlijkheid van Strijen" (Register van transporten, hypotheek enz.), 1693-1704. 6 Idem, 1704-1719. 7 Idem, 1719-1738. 18 Aangevingboeken van gedane kopen en verkopen, 1706-1795. 26 "Ordinaris regt en dingtaalboeken" (Civiele rollen), 1697-1719. 27 Idem, 1719-1804. 30 Requestboeken van schout en schepenen van Strijen, 1727-1782. 45 Oude rekeningen van voogden over minderjarigen, curators in insolvente en verlaten boedels van vendumeesters en anderen, 1709-1719. 54 Resolutie- en notulenboek van schout en gerecht van Strijen, 1752-1794. 58 Allerhande schepenakten (scabinale akten) 1760-1772. 59 Idem, 1773-1788. 101 Allerhande akten 1722-1737. Weeskamers 's-Gravendeel, toegangsnummer 3.04.06.029, inv. nr.: 2 1695 maart 12 - 1730 januari 9 Maasdam, toegangsnummer 3.04.06.057, inv. nr.: 1 1654 okt. 1654 - 1799 april 2 4 Boedelpapieren 16 aug. 1724/5 jan. 1738. Notarieel archief: toegangscode 3.04.01 Puttershoek, toegang als boven, inv. nr.: 6948 1718 april - 1721 6949 1722 - 1732 6950 1733 - 1747 6951 1748 - 1761 6952 1762 - 1765 jan. 6953 1765 april - 1773 6954 1774 - 1779 Maasdam, toegang als boven, inv. nr.: 5387 1680 aug. - 1705 jan. Mijnsheerenland, toegang als boven, inv. nr.: 5582 1763 - 1768 (met tafels) 's-Gravendeel, toegang als boven, inv. nr.: 4587 1687 okt. - 1702 4588 1703 - 1712 april 4589 1712 nov. - 1719 4590 1720 - 1728 sept. Strijen, toegang als boven, inv. nr.: 7655 1695-1702 Hof van Holland Toegangsnummer 3.03.01.01, inv. nr.: 3622 O.a. nominaties en electies van schepenen van 's-Gravendeel en Leerambacht 1730, 1731. 3623 Idem voor Land van Strijen 1730-1746. Staten van Holland Toegangsnummer 3.01.04.01, inv. nr.: - Gedrukte indices op de gedrukte resoluties van de Staten van Holland over de jaren 1524-1790: ARA, studiezaal zelfbediening ladenkast LK 3.5, la 13 (microfiches). 167 Resoluties, 1731. 171 Idem, 1734. 172 Idem, 1735. 176 Idem, 1738 179 Idem, 1741. 197 Idem, 1754. 207 Idem, 1759. 239 Idem, 21-7-1779/30-12-1779. 836 Minuten, 10 mei 1730 - 8 juli 1730. 841 Idem, 14 mrt 1731 - 5 mei 1731. 1365 Verschillende stukken over dorpen en ambachten ((Maasdam, 5, uit 1548 en Nieuw-Beijerland, 14)) 2079 Rekesten gericht aan de Staten van Holland en West- Friesland om octrooi te verlenen om over de leengoederen te mogen disponeren, 1723-1731. Aanvulling op Staten van Holland Toegangsnummer 3.01.04.02, inv. nr.: 5696 Registers van net-octrooien uitgegeven door de Staten van Holland, 7 jan 1729-19 dec 1730; met index op de requestrant. 5774 Benoeming baljuw en dijkgraaf van o.a. Strijen. 5812 Aantekeningen, op basis van de rentmeestersrekeningen, om te dienen bij de voorbereiding van de verkopen van de domeinen, 1721-1730. Ambtgeld Toegangsnummer 3.01.05, inv. nr.: Registers van originele ingekomen stukken rakende het werk van de ambten 1749-1752. 4046 Hierin o.a. 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen, zie voor plaats: index inventaris ambtgeld. Archief van de Rekenkamer der Domeinen van Holland Toegangsnummer 3.01.27.01, inv. nr.: 525 Register van verpachting van officiën, 1693-1702. 526 Idem, 1703-1710. 527 Idem. 528 Idem. Familiearchief Van Assendelft de Coningh (1645-1959) Toegangsnummer 3.20.02, inv. nr.: 27 Stukken betreffende de afkondiging van het huwelijk van Arie de Coningh en Agatha van Assendelft te Vlaardingen, 1743. 56 Kennisgevingen van geboorte, huwelijk en overlijden, 1740-1776. 57 Kwitantie voor Arie de Coningh wegens afkoop van de verplichting tot het betalen van recognitiegelden gedurende zijn leven voor zijn ambten te Maasdam, 1743. 58 Stukken betreffende de verzwaring van en herstelwerk- zaamheden aan de boezemkade van Maasdam, 1739-1742. 61 Akten van transport voor het gerecht van Maasdam, van percelen land, gelegen in de polder van Maasdam door Cornelis Bestebreur, Maghalina Lieshout, Willem Soopers, Pleun en Bastiaan Soeteman, Petrus Visser, Jan Huijgen, Willem Klos en Arie de Coningh aan de ingelanden van het Oudeland van Maasdam, 1743. Concept. 63 Afkondiging door schout en heemraden van Maasdam, inzake de te betalen omslag voor het onderhoud der boezemkade door de eigenaars en gebruikers van de landen, gelegen in de polder van Maasdam en van de Heilige Geestblokken van Mijnsheerenland van Moerkerken, 1740. Familiearchief Van der Duyn (1534-1849) Toegangsnummer 3.20.82 Dit archief leverde niets op voor deze scriptie.

Streekmuseum "Hoeksche Waard" Hofweg 13, 3274 BK Heinenoord, 01862-1535. - fichescollectie - streekgenealogiën



Literatuurlijst

- Aa, A. J. van der, Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, (Gorinchem 1836-1851). - Aalst, G. M. van, Inventaris familiearchief Van Assendelft de Coningh (1645-1959), (Den Haag 1975). - Achterberg, M., De Hollandse Bodebus, (1980). - Archieven van de Nederlandse Hervormde kerk, de, uitgegeven door de commissie voor de archieven van de Nederlandse Hervormde kerk, deel II, (Leiden 1974). - Allewijn, M., Van Grooten Waert tot Hoeksche Waard, (Oud-Beijerland 1952). - Allewijn, Rien, En wijd was de polder (Oud-Beijerland 1989). - Baars, C., De geschiedenis van de landbouw in de Beijerlanden, (Wageningen 1973). - Bachiene, W. A., Beschrijving der Vereenigde Nederlanden, 1e deel (1723). - Beekman, A. A., Nederland als polderland (Zutphen 1932). - Berghuis, Wiert J., Langs de oude Zuidhollandse kerken, Waarden en eilanden, (Baarn 1973). - Beresteyn, E. A. van, H. L. Kruimel, Genealogisch repertorium, (Den Haag 1972). - Bilderbeek, W. H. van, De polders Nieuw Bonaventura, Mook- hoek en Trekdam (1909). - Blécourt, A. S. de, Ambacht en gemeente, de regeering van een Hollandsch dorp gedurende de 17e, 18e en 19e eeuw, (Zutphen 1912). - Blécourt, A. S. de, De ambachten in Rijnland, Delfland en Schieland: een overzicht der ontwikkeling van wetgeving, bestuur en rechtspraak in deze landschappen, (Haarlem 1902). - Blok, W., De Nederlands Hervormde kerk van Heinenoord, (Utrecht 1975). - Blok, W., Eilandgeschiedenis in beeld, Afbeeldingen van de Hoeksche Waard uit de zeventiende tot en met de negen- tiende eeuw, (Heinenoord 1979). - Dale, van, Groot woordenboek van hedendaags Nederlands, (Utrecht/Antwerpen 1984). - Drie, Rob van, Nico Plomp, Aad van der Tang, Genealogie, van stamboom tot familiegeschiedenis (Utrecht/Den Haag 1989). - Elias, Johan E., De vroedschap van Amsterdam 1578-1795, (Amsterdam 1963) twee delen. - Engels, P. H., De geschiedenis der belastingen in Nederland van de vroegste tijden tot op heden (Rotterdam 1848). - Firet, J., "De Hoeksche Waard", Vox Theologica (1952). - Fockema Andreae, S. J., Het bestuur van het Hollandsche platteland (Utrecht 1922). - Fockema Andreae, S. J., Schets van Zuid-Hollandse watersnoden in vroeger tijd (Voorburg 1953). - Fockema Andreae, S. J., Studiën over waterschapsgeschiedenis deel III "de Grote- of Zuidhollandse Waard", (Leiden 1950). - Have, C. L. van Es v.d., Verdwijnend Puttershoek (1966). - Holleman, F. A., Rechtsgeschiedenis der Heerlijke Veren in Holland, diss. (Leiden 1928). - Jansen, H. P. H., Geschiedenis van de Middeleeuwen, (Utrecht 1988), 7e druk. - Kips, J. H., Atlas van den Hoekschen Waard, (Den Haag 1835). - Nederland's adelsboek, (Den Haag 1903-). - Nederland's patriciaat, (Den Haag 1910-). - Ollefen, L. van, Nederlandsche Stad- en Dorpsbeschrijver (1793). - Quist, J. M., Een kleine kerkbeschrijving van de dorpskerk te Strijen, (Strijen 1968). - Regt, J. W., Geschied- en Aardrijkskundige Beschrijving van den Hoekschen Waard (Zwijndrecht 1849). - Regt, N. de en C. L. van Es v.d. Have, De historie van Maasdam, Cillaarshoek, Sint Anthoniepolder (1969). - Reverhorst, H. van, Strijen door het vuur verteerd (1759). - Rypperda-Wierdsma, J. V., Politie en justitie. Een studie over Hollandschen staatsbouw tijdens de Republiek, (Zwolle 1937). - Salmon, Th. De hedendaegsche historie of tegenwoordige staat van alle volkeren. Eerst in 't Engelsch beschreven door Th. Salmon. Nu vertaelt en merkelijk vermeerdert door M. van Goch (Vervolgd door J. Wagenaar en anderen) (Amsterdam 1729-1803), deel XIV-XVIII Holland 1742-1750. (((aanvragen U.B. Leiden 348 E10, deel Hoeksche Waard))) - Sickenga, F. N., Bijdrage tot de geschiedenis der belastingen in Nederland, (Leiden 1864). - Stichting Jubileumboek 's-Gravendeel, 1593 's-Gravendeel 1993: uit de geschiedenis van het dorp aan de Kil, (Oud-Beijerland 1993). - Stol, Taeke, 'Opkomst en ondergang van de Grote Waard', Regionaal-historisch tijdschrift Holland, (1981), 129-145. - Strubbe, E. I., Voet, L., De chronologie van de middeleeuwen en de moderne tijden in de Nederlanden, (Antwerpen- Amsterdam 1960). - Teixeira de Mattos, L. F., De waterkeringen, waterschappen en polders van Zuid Holland, (1925). - Tresling, I. D., Rondom de Binnenmaas (Rotterdam 1937). - Tiron, I., Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, 7e deel (1749). - Vierlingh, A., Tractaet van Dijckagie (heruitg. 1920). - Valk, v.d. M. H. A., Kerkelijk Oud-Beijerland (1907). - Valken, Maarten ed., De kroniek van Nederland, (Amsterdam 1987). - Vervloet, J. J., De parenteel van Doen Beijensz., (Rotterdam 1989). - Welker, P. M. H., Uit de vroegte, (1903). - Welker, P. M. H., Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, deel VIII (1907). - Wijsenbeek - Olthuis, Thera, Achter de gevels van Delft, Bezit en bestaan van rijk en arm in een periode van achteruitgang (1700-1800), (Hilversum 1987).

Tijdschriften: (Voor de gebruikte genealogische artikelen verwijs ik naar de gezinsbladen.) - "Ons Voorgeslacht, maandblad van de Zuidhollandse vereniging voor genealogie". - "Gens Nostra, maandblad der Nederlandse genealogische vereniging". - "De Nederlandse Leeuw. Maandblad van het Kon. Ned. Genootschap voor geslacht- en wapenkunde." - "Holland, regionaal-historisch tijdschrift." Hieruit de jaarlijkse archeologische vondsten. - "Sibbe, tijdschrift voor sibbekunde (1941-1944)."

Kranten: Landelijk: - Algemeen Dagblad: * 30- 9-1993 "Speurtocht F-16 levert resten Romeinse nederzettingen op" * 8- 3-1994 "Aannemer veroorzaakt grote schade aan resten kasteel" - N. R. C. Handelsblad: * 23- 2-1994 "Hoeksche Waard wil haar bodem redden"

Het bestuur van het oostelijk deel van de Hoeksche Waard tussen 1700-1780. Schouten en schepenen van 's-Gravendeel, Maasdam, Puttershoek en Strijen nader bekeken.

Dit is een verkorte versie van mijn doctoraalscriptie Volledige exemplaren met tabellen, grafieken en genealogische bijlagen zijn in te zien bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag en het Streekmuseum in Heinenoord.Inleiding